Gemeenten moeten hun weg nog vinden in het maken en publiceren van programma’s onder de Omgevingswet. Naast technische issues werpt het nieuwe instrument nog veel vragen op.
In het programma maken gemeenten onder meer inzichtelijk hoe ze de beleidsdoelen uit hun omgevingsvisie gaan realiseren.
Er zijn uiteenlopende typen programma’s. Zo zijn sommige programma’s verplicht vanwege de Europese wetgeving of aanvullende leefomgevingseisen, zoals het Actieplan Geluid, dat een kwart van de gemeenten moet opstellen.
De komende jaren komen daar de verplichte programma’s voor warmte en volkshuisvesting bij voor alle gemeenten.
Ook zijn er onverplichte programma’s, bijvoorbeeld het gemeentelijke rioleringsprogramma, naast programma’s voor de programmatische aanpak van bijvoorbeeld luchtkwaliteit of stikstof.
Voor deze categorieën programma’s geldt een wettelijke bekendmakingsverplichting via officiëlebekendmakingen.nl.
Gemeenten moeten deze programma’s publiceren volgens de STOP-TPOD-standaard onder de Omgevingswet. Daarmee is geborgd dat de publicatie ook wordt verwerkt en zichtbaar wordt in het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet).
Beperkt gebruik
In de eerste helft van 2025 hebben gemeenten nog maar weinig programma’s gepubliceerd, zo blijkt uit de Omgevingswetmonitor van de VNG over het eerste en het tweede kwartaal van het afgelopen jaar.
In het eerste kwartaal ging het om 16 ontwerp- en 14 vastgestelde programma’s. In de tweede kwartaalrapportage over 2025, die overigens pas uitkwam in november, gaat het om 43 stuks. Een totaal van 75 programma’s.
Wel kwam in dit tweede onderzoek naar voren dat de circa de helft van de gemeenten met een of meerdere programma’s bezig is.
Technische issues
Net als bij andere omgevingsdocumenten lopen gemeenten bij de publicatie van programma’s op het DSO tegen technische issues aan, zo berichtte Gemeente.nu onlangs.
Om deze perikelen te omzeilen, introduceerde de gemeente Rotterdam voor zijn water- en klimaatadaptatieprogramma een geitenpaadje. De gemeente publiceerde slechts een inleiding van enkele regels en sloot het programma als pdf bij onder het motto: ‘U kunt het programma lezen in de bijlage’.
De gekozen werkwijze is geen kwestie van onwil, maar eerder wat voor de gemeente op dit moment het maximaal haalbare is.
Verandering kost tijd
Als verklaring voor het nog geringe aantal programma’s voert de VNG aan, dat het instrument nieuwe beleidsmatige, juridische en technische aspecten bevat. “Dit vraagt om veranderingen in processen en werkwijzen van vrijwel alle betrokken afdelingen, in het bijzonder de beleidsafdelingen. Deze verandering kost tijd en werkt geleidelijk door”, reageert de gemeentekoepel.
Volgens de VNG gaat het inmiddels de goede kant op. “We zien dat gemeenten hierin investeren en dat het aantal gepubliceerde programma’s geleidelijk toeneemt.”
In nog niet gepubliceerde cijfers zou het totale aantal over heel 2025 op zo’n 220 ontwerp- en definitieve programma’s uitkomen, aldus de VNG. “Dit betekent dat de stijgende lijn doorzet.”
Vrijwillige programma’s
Het merendeel van de huidige omgevingsprogramma’s betreft vrijwillige programma’s over onder meer mobiliteit en groen. Ook de gebiedsgerichte programma’s zijn bijna alle vrijwillig. Een voorbeeld is de Regionale Energiestrategie (RES).
Op vrijwillige programma’s is – in tegenstelling tot de verplichte, onverplichte en programma’s met een programmatische aanpak – geen wettelijke publicatieplicht van toepassing.
De reden hiervoor is dat vrijwillige programma’s vooral als beleidsinstrument dienen voor het college. De afwezigheid van verplichte publicatie moet het facultatieve karakter van deze programma’s benadrukken.




Geef een reactie