OpinieCultuurbeleid: de kunst van het balanceren

0

In financieel krappe tijden lijkt gerichte inzet van het cultuurbeleid een logische keuze. Maar wel één waar de nodige risico’s aan kleven.


– Column – Quirijn van den Hoogen

Deze zomer zond de Raad voor de Financiële Verhoudingen een brief aan het kabinet over de effecten van de grote decentralisaties op de terreinen van arbeid, zorg en jeugd (omvang aan taken: ca. 15 miljard euro). De raad lijkt bang dat gemeenten die autonoom beleid ontwikkelen dat voor alle inwoners geldt steeds meer instanties worden die individuele gevallen zullen gaan (of moeten) bedienen. Juist waar gemeenten veel vrijheid hebben, zoals in het cultuurbeleid, is dat een belangrijk gegeven. Zal het gemeentelijke cultuurbeleid zó veranderen  dat de gemeente vooral die burgers helpt die daar om één of andere reden behoefte aan hebben? Of zullen gemeenten algemene beleidsvisies blijven ontwikkelen en instrumenten inzetten die een algemeen doel dienen? Een schouwburg of museum vergen nu eenmaal investeringen in gebouwen die los van het gebruik ervan drukken op gemeentelijke begrotingen.
De ontwikkeling naar een meer specifiek cultuurbeleid zal een oudere trend in de hand werken: dat cultuurbeleid wordt ingezet voor doelen buiten het cultuurdomein zelf. In de jaren ’80 kwam de stadspromotie op waarbij cultuurinstellingen als het Bonnefantenmuseum in Maastricht en het Groninger Museum prominent gingen figureren in de stedelijke promotiecampagnes; net als de Grachtengordel en de dancemuziek voor Amsterdam, mode voor Arnhem en design voor Eindhoven. Enschede zette het Nationale Muziekkwartier neer. Dat leidde onder meer tot opvallende keuzes in de architectuur, soms met wat minder aandacht voor de lopende exploitatie van die gebouwen. En sinds de invoering van het Actieplan Cultuurbereik in 1992 zijn gemeenten en provincies gaan experimenteren met de inzet van cultuur als instrument van verandering in wat we tegenwoordig Vogelaarwijken noemen. Met wisselend succes.

De vraag is of er voor een dergelijke specifieke inzet niet een biotoop nodig is voor kunst en kunstenaars in een stad of dorp. Hebben kunstenaars die zich tevens opstellen als wijkwerker niet een omgeving nodig van andere kunstenaars? Of om het anders te formuleren: is de eigen ‘autonome’ ontwikkeling van de cultuursector niet voorwaarde voor succesvolle inzet van beleid gericht op sociale cohesie of economische bloei? In financieel krappe tijden lijkt gerichte inzet van het cultuurbeleid een logische keuze. Maar het is wel een keuze waar risico’s aan kleven voor de lokale voedingsbodem bij zowel kunstenaars als het publiek. Op de lange termijn kan specifiek beleid het creatieve draagvlak uithollen en het publiek zal afhaken bij een te weinig breed lokaal aanbod.

Juist bij het ontwikkelen van een specifieker cultuurbeleid is het van belang goede afspraken te maken over de rapportage van de uitvoering van het beleid. Claartje Bunnik constateert in een recente bijdrage aan het Handboek Cultuurbeleid dat de informatiebehoeftes van culturele instellingen en bijvoorbeeld gemeenten uit elkaar lopen. Waar instellingen geneigd zijn om over hun producten te rapporteren, willen gemeenten weten hoe die producten bijdragen aan hun maatschappelijke doelen. Verwachtingen hieromtrent zouden van te voren duidelijk moeten zijn. Daarbij moet opgemerkt dat algemene doelen als stadsimago of sociale cohesie, in het cultuurbeleid zelden vertaald worden naar welke activiteiten van instellingen bijdragen aan welke van deze doelen. Gemeentelijke rekenkamers wijzen terecht op het ontbreken van deze vertaalslag.

Cultuur ‘beweegt’ is het motto dat de minister aan het cultuurbeleid van het kabinet Rutte II heeft meegegeven. Daarbij doelt zij zowel op de eigen, zelfstandige ontwikkeling van cultuur als de betekenis daarvan voor onze samenleving. Daarmee lijkt er in het rijksbeleid weer meer ruimte te ontstaan voor een volwaardige artistieke biotoop die de voedingsbodem voor alle cultuurbeleid is. Die ruimte gekoppeld aan aandacht voor de bredere betekenis van cultuur voor dorp en stad vraagt om een gemeentelijk cultuurbeleid dat ‘meebeweegt’ door keuzes tussen specifiek en breed beleid vorm te geven met daarop toegesneden instrumenten.

 


Over de Auteur: Quirijn van den Hoogen is  Universitair Docent Kunstsociologie en Kunstbeleid bij de Rijksuniversiteit Groningen

 

Handboek Cultuurbeleid

Het e-boek Cultuurbeleid informeert over alle terreinen van het cultuurbeleid en is – zeker in een tijd van toenemende druk op de kunstbegrotingen – dé onmisbare gids voor beleidmakers in de kunst- en cultuursector. Meer informatie >>

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Over Auteur

Reageer