Onderzoeksbureau CE Delft heeft onderzocht welke bijdrage decentrale overheden kunnen leveren aan de mobiliteitstransitie. Daaruit blijkt dat gemeenten de CO₂‑uitstoot in 2030 in theorie met maximaal 40% kunnen verminderen, terwijl provincies ongeveer 5% reductie kunnen realiseren.
Deze staat in de notitie ‘Impact van mobiliteitstransitie’ van CROW‑KpVV. Tussen 1990 en 2023 daalden de CO₂‑emissies in de sector mobiliteit en transport met slechts 7%, onder meer door efficiëntere motoren in het wegverkeer. Deze daling is onvoldoende om de Europese doelstelling van 55% emissiereductie in 2030 te halen. Ook de eerdere nationale doelstelling van 49% reductie blijft met het huidige beleid buiten bereik. Extra maatregelen van overheden zijn daarom noodzakelijk.
Vervangen fossiele voertuigen
CE Delft heeft per voertuigcategorie in kaart gebracht welke verduurzamingsopties er zijn en hoe Europees en nationaal beleid lokaal doorwerkt, naast de impact van regionale en lokale maatregelen. Op basis hiervan wordt ingeschat dat gemeenten 40% en provincies 5% van de CO₂‑uitstoot in 2030 direct kunnen beïnvloeden. Dit gezamenlijke potentieel van 45% is een theoretisch maximum, omdat internationale en nationale beleidskeuzes ook binnen de gemeentegrenzen doorwerken. Gemeentelijke invloed hangt bovendien sterk samen met de rol van provincies als coördinerende en verbindende partij.
De grootste effecten zijn te behalen door fossiele voertuigen en werktuigen te vervangen door schone, elektrische varianten. Denk aan zero‑emissiezones voor stadslogistiek en personenvervoer en het verduurzamen van bouwmaterieel. Daarnaast kunnen overheden stimuleren dat inwoners anders en minder reizen, bijvoorbeeld via betere fietsinfrastructuur en meer voorzieningen in de buurt. Dit vraagt echter om gedragsverandering en levert daarom relatief minder CO₂‑reductie op.



Geef een reactie