De Algemene Rekenkamer onderzocht hoe de Nederlandse politie haar opsporingscapaciteit en publiek geld inzet. Daarbij keek ze ook of de politie bij haar prioriteiten rekening houdt met de maatschappelijke schade van misdrijven.
De conclusie van het rapport Een ernstige zaak – prioritering in opsporing door politie is dat de opsporingsprioriteiten van de minister van Justitie en Veiligheid en het Openbaar Ministerie niet altijd aansluiten bij de meest ernstige misdrijven. Ernstige aangiften blijven daarnaast soms onbehandeld, ook als ze officieel prioriteit hebben. Bovendien verschilt de kans op opsporing per politieregio.
De Rekenkamer ontwikkelde samen met het WODC een Crime Harm Index (CHI), die de ernst van misdrijven uitdrukt in gemiddelde detentiedagen. Aan de hand van die index stelt ze vast dat de prioriteiten van de minister van Justitie en Veiligheid en het Openbaar Ministerie niet altijd aansluiten bij de zwaarste misdrijven. Zo vallen cybercrime en gedigitaliseerde criminaliteit, die de minister prioriteert, laag tot gemiddeld uit op de CHI. Ook een deel van de heterdaad- en ondermijningszaken die het OM prioriteert, zoals winkeldiefstal en het bezit van softdrugs, scoort relatief laag.
Rotterdam wijst meer af, Limburg stopt eerder
De Rekenkamer deed praktijkonderzoek bij drie regionale politie-eenheden: Rotterdam, Oost-Nederland en Limburg. Die vergelijking laat opvallende lokale verschillen zien. Rotterdam wees in 2024 19% van de ernstige misdrijven direct af, tegenover 12% in Oost-Nederland en 11% in Limburg. Limburg stopte zaken juist vaker voortijdig vanwege capaciteitstekort: dat gebeurde er in 13% van de gevallen, tegen 8% in Oost-Nederland en 7% in Rotterdam. Deze verschillen hangen samen met keuzevrijheid van de politie, mogelijk mede bepaald door regionale en lokale prioriteiten van OM en burgemeesters.
Dit betekent concreet dat het voor een slachtoffer uitmaakt in welke regio het misdrijf plaatsvindt. De Rekenkamer stelt die ongelijkheid nadrukkelijk aan de kaak, omdat de impact van een ernstig misdrijf voor een slachtoffer overal in Nederland gelijk is.
Ernstige zaken komen bij basisteams terecht
Door overbelasting bij de districts- en regionale recherches komen steeds meer ernstige zaken terecht bij de basisteams. Die teams zijn in eerste instantie bedoeld voor veelvoorkomende criminaliteit, zoals vernieling en eenvoudige diefstal. De Inspectie Justitie en Veiligheid concludeerde eerder al dat basisteams onvoldoende zijn toegerust voor complexere zaken als woninginbraken, overvallen en zedenmisdrijven.
Prioriteiten herzien en registratie verbeteren
De Rekenkamer beveelt de minister en het OM aan hun prioriteiten te herzien en daarbij de CHI te betrekken. Ook roept ze de korpschef op de registratie van opsporingsonderzoeken te verbeteren. Voor 12.300 fte aan recherchecapaciteit zijn de resultaten momenteel niet inzichtelijk, wat sturing op doelmatigheid en doeltreffendheid bemoeilijkt.




Geef een reactie