De rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd aan een café. Het café moest de horeca-activiteiten op de locatie beëindigen en beëindigd houden, omdat deze in strijd zijn met het geldende omgevingsplan. Bij niet-naleving verbeurt de exploitant een dwangsom van € 40.000. Het beroep van het cafe is ongegrond verklaard.
Aan de locatie is de bestemming ‘Gemengd-1’ toegekend. Binnen deze bestemming is detailhandel toegestaan, met uitsluitend ondersteunende horeca. Dat betekent dat horeca ondergeschikt moet zijn aan de winkelactiviteiten, zowel qua oppervlakte als qua ruimtelijke uitstraling. Tijdens controles in 2024 en 2025 constateerde de gemeente echter dat de inrichting en het feitelijke gebruik vooral op horeca waren gericht. Er waren veel zitplaatsen, een professionele koffiebar, een uitgebreide keuken voor het bereiden van broodjes, een menukaart, bediening en bezoekers die ter plaatse aten en dronken. De verkoop van kleding, kunst en andere designproducten vond slechts in beperkte mate plaats.
Feitelijk gebruik
Volgens de rechtbank is voor de beoordeling doorslaggevend hoe het pand feitelijk wordt gebruikt. Dat het café zich presenteert als innovatief retailconcept met een combinatie van winkel en café, doet daar niet aan af. De rechtbank oordeelt dat horeca de hoofdactiviteit vormt en niet de detailhandel. Omdat ondersteunende horeca alleen is toegestaan wanneer deze ondergeschikt is aan detailhandel, is sprake van strijd met het omgevingsplan en daarmee van een overtreding.
Het café voerde daarnaast aan dat het mocht vertrouwen op een eerdere reactie van een casemanager van de gemeente, die had aangegeven dat het concept onder voorwaarden binnen de bestemming zou passen. De rechtbank verwerpt dit beroep op het vertrouwensbeginsel. De reactie bevatte uitdrukkelijk een voorbehoud en was gebaseerd op ingediende plannen, terwijl het feitelijke gebruik uiteindelijk wezenlijk anders bleek. Van een concrete toezegging dat niet handhavend zou worden opgetreden was geen sprake.
Ook de verwijzing naar de toelichting op het bestemmingsplan, het Horecabeleid Zuid 2011 en de Beleidsregels afwijkingen omgevingsvergunningen slaagt niet. De rechtbank overweegt dat deze documenten geen rol spelen bij de vraag of het gebruik in overeenstemming is met het omgevingsplan. Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van toegestane detailhandel; pas daarna kunnen dergelijke beleidsregels relevant worden.
De rechtbank concludeert dat het college op grond van de beginselplicht tot handhaving terecht heeft opgetreden. Omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die handhaving onevenredig maken, blijft de last onder dwangsom in stand.




Geef een reactie