Als je een zaal vol raadsleden uitnodigt om iets te leren, nodig je ook hun reflex uit om er meteen iets van te vínden. Dat merk ik in de sessies en trainingen die ik geef en, eerlijk is eerlijk, aan mezelf als deelnemer. Een kleine ode aan het ongemakkelijke genoegen van even niks hoeven vinden.
Regelmatig verzorg ik (inwerk)sessies en trainingen voor raadsleden, en laatst zat ik er zelf ook eens bij als deelnemer. Het ging toevallig over de instrumenten van de Omgevingswet, maar het had net zo goed iets anders kunnen zijn. Behoorlijk pittige kost, want een combinatie van wetgeving, techniek, werkwijze, bevoegdheden, een stelsel dat je niet in één avond doorgrondt. Tegelijk was er alle ruimte voor vragen en voor het delen van eigen ervaringen. Het was een mooi programma.
Toen gebeurde er iets wat ik als trainer ook goed ken. Ergens tussen de uitleg door zei een raadslid: “Participatie vormvrij? Door de initiatiefnemer? Dat gaat nooit werken.” Even later: “En dat Digitaal Stelsel Omgevingswet, overheid en ICT, dan weet je het wel.” En een financiële verzuchting kon niet ontbreken: “En wat kost dat allemaal!” Instemmend gemompel, een paar knikjes.
Ik moest er een beetje om glimlachen, want ik herken die reflex zo goed. Ook bij mezelf. De behoefte om een statement te maken, je kritische noot te laten horen, een signaal af te geven. Zeker als politicus zit dat in je systeem. Je bént gekozen om ergens iets van te vinden. Het mooie is dat dit in een dergelijke sessie even niet nodig is. En hoe fijn is dat?
Een oefenruimte, geen podium
Want zo’n sessie heeft een ander doel dan een raadsvergadering. Het is geen podium, het is een oefenruimte. Even geen standpunt, even geen scorebord. Alleen maar begrijpen hoe het werkt, zodat je er straks des te scherper iets van kunt vinden. Ik merk aan mezelf hoe verleidelijk het is om dat oordeel toch alvast te plaatsen en hoeveel ik oppik op de momenten dat het me lukt om dat even niet te doen.
Wat ik zie gebeuren als het oordeel te vroeg komt, is namelijk dat de aandacht verschuift. Van leren naar reageren. Van “hoe zit het?” naar “wat vind ik ervan?”. En dan gaat het niet alleen om jezelf, maar ook om de collega’s in de zaal die er nog middenin zitten. De kritiek zelf is zelden het probleem, die is vaak eigenlijk terecht. Het is de timing. Het vlammende betoog over vormvrije participatie is een prima interruptie, een prima motie, een prima column. Alleen komt het het best tot zijn recht op het moment dat het telt. En dat moment komt nog.
En dan de andere kant, want eerlijk is eerlijk: het ligt lang niet alleen aan de deelnemers. Wie een zaal vol politici uitnodigt, nodigt ook hun reflex uit. Dat heb ik als organisator moeten leren, met vallen en opstaan.
Als je voor de groep staat
Ik ben scherper en altijd met een knipoog gaan benoemen wat voor sessie het wel is. “Vandaag gaan we het snappen, niet erover stemmen” een klein zinnetje aan het begin dat verwachtingen zet en later houvast geeft. En ik probeer bewust ruimte te maken voor het ventiel: een moment waarop zorgen, kritiek en frustraties wél welkom zijn. Wie weet dat zijn punt straks aan bod komt, kan het nu makkelijker even parkeren.
Lukt dat niet en komt de kritiek toch tussendoor? Dan heb ik geleerd om ‘m te verwelkomen zonder de sessie te laten kapen. “Mooi punt, dat noteren we voor het blok over knelpunten.” Je erkent de deelnemer én bewaakt de lijn. Dat is zorg voor iedereen die is gekomen om iets te leren.
Ik schrijf dit met een glimlach en met liefde voor het vak. Die drang om te vinden, te duiden, te ageren, dat is precies wat iemand een goed raadslid maakt. Maar juist omdat volksvertegenwoordigers uiteindelijk een oordeel moeten vormen, is het waardevol om daar tijdens een (inwerk)sessie nog even mee te wachten. Eerst begrijpen, dan beoordelen.
Pascale Georgopoulou is oud-raadslid, oud-griffier en zelfstandig adviseur binnen de publieke zaak op het gebied van de Omgevingswet, participatie en de energietransitie.



Geef een reactie