Wie hulp nodig heeft via de Wmo, komt vaak in een ingewikkelde juridische procedure terecht. Dat gebeurt juist op een moment waarop mensen het zwaar hebben. Jurist Bas Kerssies onderzocht dit voor zijn proefschrift, waarop hij op 6 oktober promoveert aan de Radboud Universiteit.
Sinds 2015 kunnen burgers via de Wet maatschappelijke ondersteuning bij hun gemeente aankloppen voor bijvoorbeeld een traplift of huishoudelijke hulp. De wet gaat uit van samenwerking: burger en gemeente brengen samen de hulpvraag in kaart. Toch verwachten gemeenten veel ‘juridisch doenvermogen’ van hun inwoners. Dit blijkt uit het onderzoek van Bas Kerssies.
Eerst doet de burger een melding. Na een wachttijd, die kan oplopen tot zes maanden, volgt een keukentafelgesprek. Veel mensen weten daarbij niet goed weten wat de gemeente precies van hen verwacht. Pas in het verslag dat hierop volgt lezen ze of ze recht hebben op steun. Krijgen ze een negatief advies, dan moeten ze zelf uitzoeken welke vervolgstappen mogelijk zijn.
Ervaring telt zwaarder dan opleiding
Kerssies sprak met beleidsambtenaren en Wmo-consulenten in drie gemeenten en met 36 inwoners. ‘Mensen hebben vaak behoorlijk heftige omstandigheden meegemaakt voordat ze bij de gemeente aankloppen. Ik sprak mensen met ernstige beperkingen, mensen die door een ongeluk een dwarslaesie opliepen en mensen die afhankelijk waren van beademing. Juist onder deze omstandigheden wordt veel verwacht van hun vermogen om complexe procedures te doorlopen’, aldus Kerssies.
Opvallend genoeg bepaalt opleidingsniveau minder dan vaak gedacht. Ervaring maakt het verschil. Wie de procedure al eens doorliep, vindt makkelijker de weg. Nieuwkomers in het proces lopen veel vaker vast.
Kijk naar het doel, niet naar het middel
Kerssies geeft aan dat bezuinigingen de ondersteuning beperken, maar dat rechtvaardigt volgens hem niet dat gemeenten inwoners minder betrekken. Hij pleit ervoor het gesprek te voeren over wat iemand wil bereiken. ‘Als een inwoner een bepaald hulpmiddel vraagt, hoeft het gesprek niet meteen te gaan over dat specifieke middel, maar over het doel dat iemand wil bereiken.’ Wie vooral twee keer per week naar een activiteit in het buurthuis wil, is misschien ook tevreden met een goedkopere scootmobiel. Een gevoel van controle en eigen keuze is wel van belang.
Minder wantrouwen, meer begeleiding
Kerssies roept gemeenten op minder wantrouwig te zijn en burgers actiever te begeleiden. Inwoners hebben bijvoorbeeld recht op onafhankelijke cliëntondersteuning, maar slechts 2 tot 5 procent maakt daar gebruik van. De meesten weten helemaal niet dat die mogelijkheid bestaat.
Gemeenten zien burgers volgens hem te vaak als claimers die meer willen dan hun toekomt. Maar in de praktijk voelen veel inwoners zich vooral onzeker. Gemeenten die open communiceren over de mogelijkheden, merken dat mensen juist graag meedenken.




Geef een reactie