In de praktijk van rekenkamers zijn normenkaders schering en inslag. In aanvragen voor onderzoek wordt dat vaak als eis aan het uitvoerend bureau meegegeven: ‘Kom met een onderbouwd normenkader.’ Een jaar of tien terug negeerden we – als bureau dat om een offerte was gevraagd – eens zo’n verzoek. Wij stelden dat het al lastig genoeg was om de situatie in kaart te brengen. Aan een oordeel zouden wij ons nog niet willen wagen. Wel, ons voorstel werd direct van tafel geveegd.
Nu ben ik naast onderzoeker ook zelf voorzitter van een rekenkamer. ‘Mijn’ rekenkamer vindt het geregeld nuttig om de raad ‘inzicht en uitzicht’ te bieden; wij brengen dan een complexe situatie in kaart en leiden daar verschillende handelingsperspectieven voor de raad uit af. Maar we spreken geen voorkeur uit en geven geen oordeel. Enkele jaren terug deed mijn rekenkamer uitvraag waarin nadrukkelijk werd genoemd dat er géén normenkader nodig was. Van één bureau kregen we een wat wijdlopig voorstel mét een normenkader. Er waren daarmee wel genoeg redenen om niet verder te gaan met dit bureau. In het gesprek over de afwijzing noemde ik nog even dat we echt niet om een normenkader hadden gevraagd, Tot mijn stijgende verbazing werd mij de les gelezen: “Wist ik dan niet dat rekenkamers altijd een normenkader moesten hanteren?” Nee, dat wist ik niet, sterker nog, dat vond ik niet. Maar de verbolgen onderzoeker persisteerde; hij had onlangs nog een cursus rekenkameronderzoek gevolgd en daar was dat nadrukkelijk gesteld. Nu ben ik bekend met die cursus en begreep ik wel waarom dat zo ter sprake was gekomen. Maar nee, ik ben het daar echt niet mee eens. In ieder geval bevestigde het telefoongesprek mij in de juistheid van de beslissing om dit bureau af te wijzen.
Maar waar komt dat idee toch vandaan dat er altijd normenkaders nodig zijn? Rekenkamers doen louter onderzoek naar het gevoerde bestuur. Het is niet bij wet vastgelegd dat rekenkamers te allen tijde het bestuur moeten beoordelen. Maar menige rekenkamer verkeert in de veronderstelling dat normenkaders voor rekenkamers onmisbaar zijn. Nu weet ik ook wel dat ze in de praktijk prettig zijn. Zo heb ik vaak genoeg meegemaakt dat tijdens de presentatie van een rapport een raadslid vraagt: “Maar wat vindt de rekenkamer er nu van?’ Tja, raadsleden willen graag weten of het ‘goed’ of ‘fout’ gaat. Kunnen ze het college van B&W een complimentje geven of hebben ze munitie voor een politieke aanval. Zeker kan de rekenkamer ze daarbij helpen, door met een op een normenkader gebaseerd oordeel te komen. Maar het kan heus ook wel eens zonder. Dan moeten de raadsleden maar zelf hun oordeel bepalen. Dat is toch niet teveel gevraagd?
Peter Castenmiller is als senior-onderzoeker werkzaam bij PBLQ en doet al vele jaren onderzoek in het decentraal bestuur. Hij is tevens verbonden aan het Instituut Politicologie van de Universiteit Leiden en de Faculteit Bestuurskunde van de Vrije Universiteit.




Geef een reactie