Een planbatenheffing levert gemeenten samen hooguit 200 tot 220 miljoen euro per jaar op, en dat geld komt pas over tien tot vijftien jaar binnen. Dat blijkt uit nieuw onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). Het instituut raadt gemeenten aan hun tekorten bij de bron aan te pakken.
In de studie Waardeafroming op de grondmarkt onderzocht het EIB twee manieren om de waardestijging van grond te gebruiken voor het dekken van gemeentelijke tekorten: een planbatenheffing en een uitbreiding van het kostenverhaal. Beide bieden weinig perspectief, schrijft het instituut in een persbericht van 2 november.
Weinig waardestijging in de stad
De meeste woningbouw vindt binnenstedelijk plaats. Daar is de grond met de bestaande bebouwing al veel waard, en levert herontwikkeling nauwelijks waardestijging op. Op uitleglocaties, goed voor ongeveer 30 procent van de geplande woningbouw, stijgt landbouwgrond gemiddeld zo’n 55 euro per vierkante meter in waarde. Een deel van die grond is al van gemeenten. Daardoor blijft volgens het EIB maar circa 20 procent van de woningbouw over waarop een heffing effect heeft.
Boeren moeten blijven verkopen
De totale jaarlijkse waardestijging schat het EIB op 420 miljoen euro. Die volledig afromen kan niet, want dan verdwijnt voor boeren de reden om hun grond te verkopen. Bij een heffing van 50 procent blijft circa 210 miljoen euro per jaar over. Grond is bovendien maar een klein deel van de kosten: op uitleglocaties gemiddeld 7 procent van de stichtingskosten van een woning.
Ontwikkelaars kopen hun grondposities vaak jaren van tevoren. Daarom is een ruime overgangsregeling nodig, en komen de eerste opbrengsten pas na tien tot vijftien jaar binnen.
Vlaanderen als waarschuwing
In het buitenland komt de planbatenheffing vrijwel niet voor. Vlaanderen kent haar sinds 2009, maar haalt voor grond met een woonbestemming gemiddeld maar zo’n 2 miljoen euro per jaar op. Tegen ruim een derde van de aanslagen wordt bezwaar gemaakt.
Kostenverhaal praktischer
Een uitbreiding van het kostenverhaal vindt het EIB praktischer. Die sluit aan op het huidige stelsel, en het geld komt direct ten goede aan het project. De opbrengst ligt wel lager. Minister Boekholt-O’Sullivan wil gemeenten verplichten de inbrengwaarde van grond met de residuele methode te bepalen. Volgens het EIB levert ook dat weinig op, omdat die methode in een vroeg stadium lastig toe te passen is.
Kritisch kijken naar eisen en locaties
De tekorten liggen volgens het EIB vooral aan de projecten zelf: complexe binnenstedelijke locaties en een stapeling van eisen rond betaalbaarheid en duurzaamheid. Het advies aan gemeenten is daarom om vaker te kiezen voor locaties die eenvoudig te ontwikkelen zijn, en niet door te schieten met bovenwettelijke eisen.




Geef een reactie