Onlangs is een amendement aangenomen dat gemeenten de bevoegdheid geeft een belasting voor langdurig leegstaande woningen in te voeren. De vraag is of deze nieuwe fiscale bevoegdheid meer is dan een op het oog aantrekkelijk, maar in de praktijk beperkt stuurinstrument volgens mr. Douwe Postema.
De keuze om gemeenten grote vrijheid te geven maakt het instrument politiek aantrekkelijk, maar heeft als keerzijde dat de toepassing in de praktijk sterk uiteen kan lopen. De ene gemeente zal geen leegstandsbelasting invoeren, de andere zal voor een gematigd tarief kiezen en weer een andere zal juist voor een hoog, oplopend tarief gaan om een sterke prikkel te geven. Voor eigenaren met woningen in verschillende gemeenten kan dit tot aanzienlijke verschillen in fiscale druk leiden, zonder dat het object van heffing wezenlijk verschilt. Dit kan als onrechtvaardig worden ervaren.
Mr. Douwe Postema vergelijkt de Nederlandse regeling met de Vlaamse praktijk, waar leegstandsheffingen zijn ingebed in een breed pakket van registraties, meldplichten, kwaliteitsinstrumenten, premies en handhaving, en daardoor relatief effectief zijn. In Nederland ontbreken dergelijke ondersteunende structuren nog grotendeels, waardoor de leegstandsbelasting zonder aanvullende maatregelen kan uitgroeien tot een vooral symbolisch instrument. De conclusie is dat de schijnwoningtaks potentie heeft als nuttig stuurinstrument tegen leegstand, maar alleen als wordt geïnvesteerd in uitvoerbaarheid, registratie, handhaving en samenhang met breder woonbeleid; anders dreigt zij een lege huls te blijven.
Lees de hele Opinie via NDFR



Geef een reactie