Bij de energietransitie wordt betrokkenheid van burgers gevraagd. Maar hoe komt die betrokkenheid in de praktijk tot stand? Hiernaar deed Irene Bronsvoort onderzoek bij de Universiteit Utrecht.
Bronsvoort deed drie jaar lang etnografisch veldwerk in de Rotterdamse wijk Bospolder-Tussendijken, een van de landelijke proeftuinen voor het aardgasvrij maken van woningen. Ze onderzocht hoe bewoners en professionals elkaar ontmoeten en hoe dit de betrokkenheid van bewoners beïnvloedt. Haar conclusie is dat ogenschijnlijk kleine keuzes, zoals wie een gesprek leidt en hoe een vraag wordt gepresenteerd, grote invloed heeft op wie er meedoet en op welke manier.
Drie manieren om burgerbetrokkenheid vorm te geven
Bronsvoort onderscheidt drie manieren van vormgeven van burgerbetrokkenheid, waarbij verschillende zaken centraal staan:
- Controle: bijeenkomsten gericht op uitleggen van beleidskeuzes. Kritische bewoners voelen zich hier vaak niet gehoord.
- Contact: persoonlijke relaties en ondersteuning staan hier centraal. Dit versterkt onderling vertrouwen, maar biedt weinig ruimte voor invloed.
- Inleving: creatieve en ervaringsgerichte vormen zorgen voor wederzijds begrip.
Bij elke vorm kwam een ander type ‘betrokken burger’ naar voren, met eigen mogelijkheden en beperkingen. Als het gaat om de energietransitie, is het belangrijk om aandacht te hebben voor de kwaliteit van relaties en ontmoetingen in de wijk, zegt Bronsvoort. ‘De energietransitie betekent een ingrijpende verandering in het dagelijks leven en raakt aan vragen rond wonen, leefbaarheid en gezondheid in de wijk. Het is belangrijk dat gesprekken daarover onderdeel worden van de besluitvorming in de energietransitie.’




Geef een reactie