Nederlandse gemeenten werken aan de Europese opgave om hun stadsgroen op peil te houden en op termijn uit te breiden. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) onderzocht hoe gemeenten daarmee omgaan.
De aanleiding is artikel 8 van de EU-Natuurherstelverordening. Gemeenten moeten tot en met 2030 hun oppervlakte stedelijk groen en boomkroonbedekking minimaal gelijk houden en vanaf 2031 moet daar een stijgende lijn in komen. Het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vroeg het PBL om deze opgave wetenschappelijk te onderbouwen.
Kwaliteit weegt zwaarder dan kwantiteit
Voor de Inventarisatie van de huidige en toekomstige gemeentelijke invulling van stedelijk groen sprak het PBL negen gemeenten, geselecteerd op basis van grootte, spreiding en huidig groenpercentage. Daarnaast publiceerde het PBL de definitieve nulmeting van groen en boomkroonbedekking. Deze cijfers vervangen een eerdere voorlopige meting en gelden vanaf nu als het officiële referentiekader voor de uitvoering van de verordening.
Uit de interviews blijkt dat gemeenten vooral inzetten op ecologische kwaliteit: minder maaien, meer soorten en robuuste groenblauwe netwerken. Alle geïnterviewden zijn het eens over het belang van ecologische waarde en biodiversiteit. ‘Daarbij richten ze zich niet zozeer op percentages maar vooral op de instrumentele waarde van groen, zoals hittestressreductie en een prettige leefomgeving, en daarnaast biodiversiteit’. Over andere aspecten was minder overeenstemming, zoals de vraag of er vooral inheemse soorten moeten worden geplant. Ecologen bij verschillende gemeenten denken hier verschillend over. Inheemse soorten kunnen beter zijn voor de biodiversiteit, maar met de temperatuurstijgingen zouden exoten juist weer kunnen bijdragen aan behoud van groen.
Niet te veel focus op percentages
Bij de deelnemende gemeenten bestaan zorgen dat een te sterke focus op percentages verkeerde prikkels geeft. Gemeenten die de norm halen, zouden kunnen stoppen met vergroenen. Of ze kunnen kiezen voor ‘makkelijk’ groen met minder ecologische of maatschappelijke waarde. Bovendien bestaat er spanning rondom compensatie tussen gemeenten. Niet alle gemeenten hebben evenveel ruimte en mogelijkheden beschikbaar voor meer groen.
Groen als sluitpost
Groen botst in de praktijk met woningbouw, parkeren en een volle ondergrond. Kabels laten soms weinig ruimte voor boomwortels, terwijl de energietransitie juist meer ondergronds ruimtegebruik vereist voor bijvoorbeeld warmtenetten. Ook parkeren en verkeersinfrastructuur neemt vaak veel plek in binnen gemeenten. Zo worden de parkeernormen van het CROW vaak als harde norm gehanteerd, terwijl dit niet verplicht is. De 3-30-3000 regel voor groen wordt daarentegen vaker als ‘zachte norm’ opgevat.
Daarnaast kampen vooral kleine en middelgrote gemeenten met een tekort aan ecologische expertise, terwijl grote gemeenten worstelen met werkdruk. Het naderende ‘ravijnjaar’, waarin rijksbudgetten voor gemeenten krimpen, vergroot de zorgen: groen is bij bezuinigingen doorgaans de eerste post die sneuvelt. ‘Bij veel gemeenten is groen nog altijd een sluitpost.’ Meer wettelijke verankering zou kunnen helpen dit te veranderen.
Een van de grotere gemeenten categoriseert bomen nu boekhoudkundig als kapitaalgoederen, net als wegen of bruggen. Hierdoor zijn grote vergroeningsimpulsen mogelijk die over een langere periode worden afgeschreven.
Particulier terrein doorslaggevend
Zo’n twee derde van het stedelijk groen ligt overigens niet in de openbare ruimte, maar op terrein van bewoners en bedrijven. Gemeenten hebben daar veel minder invloed op en zetten daarom vooral in op stimuleren: subsidies, tuincoaches en acties als het NK Tegelwippen. Eén van de grote gemeenten legt inmiddels wél harde eisen vast bij nieuwbouw, met een verplicht percentage natuurinclusieve tuin.
Met geld over de brug komen
Gemeenten vragen het Rijk vooral om financiële steun, heldere kaders en duidelijkheid over de verplichtingen na 2030. Zonder dat, zo klinkt het in de interviews, blijven mooie visies op de plank liggen. Een geïnterviewde verwoordt het als volgt: ‘Als de natuur en de buurt zo belangrijk is voor Den Haag, dan moeten ze ook met geld over de brug komen. Als daarin niets verandert, kunnen wij hier nog zulke leuke gesprekken hebben en kunnen jullie mooie rapporten schrijven. Je kan het dan net zo goed meteen buiten in de prullenbak gooien.’



Geef een reactie