De plek waar een nieuwbouwwoning staat telt zwaarder voor het woon-werkverkeer dan het type woning dat er gebouwd wordt. Dat blijkt uit onderzoek van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM).
Het KiM onderzocht het verband tussen locatie van een woning, het soort woning en het reisgedrag van bewoners. Bewoners van niet-stedelijke gemeenten pakken de auto voor woon-werkverkeer zo’n 20 procent vaker dan mensen die in een grootstedelijk gebied wonen. Wie in de Randstad woont, reist juist opvallend vaak met het ov. Dat geldt ook als gecorrigeerd wordt voor het hogere aantal treinstations en de hogere bebouwingsdichtheid in een gebied.
Appartement of vrijstaand huis
Het woningtype doet er ook toe, maar op een indirectere manier. Bewoners van appartementen bezitten gemiddeld 25 procent minder auto’s dan mensen in vrijstaande woningen. Huurders bezitten er 20 procent minder dan kopers. Wie geen auto heeft, reist vaker met het ov: huurders in de vrije sector maken meer ov-kilometers, wat samenhangt met hun profiel; vaak jong, hoogopgeleid en werkzaam op goed bereikbare stedelijke locaties.
Appartementenbouw lijkt op het eerste gezicht de slimme keuze voor wie mobiliteit wil beperken: per huishouden genereren flatbewoners minder verkeer dan mensen in een rijtjeshuis of vrijstaande woning. Maar op een stuk grond passen veel meer appartementen dan grondgebonden woningen. Per vierkante meter bouwperceel is de druk op het lokale verkeersnetwerk bij hoogbouw daardoor juist groter, voor zowel de auto als het ov.
Vroeg rekenen loont
Het KiM raadt om mobiliteitseffecten vroeger en gerichter mee te nemen in beslissingen over woningbouw. Al in de beginfase van grote woningbouwprojecten zouden de effecten van het verwachte woon-werkverkeer doorgerekend moeten worden. Omdat de exacte woningmix dan vaak nog onduidelijk is, adviseert het KiM te werken met bandbreedtes, bijvoorbeeld door scenario’s door te rekenen van volledig sociale huur tot volledig koopwoningen.



Geef een reactie