Hulpverleners worden regelmatig geconfronteerd met agressie en geweld. Maar er is geen eenduidig daderprofiel zo blijkt uit onderzoek.
Het onderzoek dat zich richt op politie, boa’s (domein I), brandweer en ambulance heeft als doel beter zicht te krijgen op wie het geweld pleegt, in welke situaties incidenten ontstaan en wat dit betekent voor de aanpak.
Verdachten vormen een diverse en “fluïde” groep met verschillende achtergronden en motieven. Wel zijn er duidelijke patronen: verdachten zijn vaak mannen, relatief jong (18–29 jaar sterk oververtegenwoordigd), gemiddeld lager opgeleid, met een lager inkomen en vaker afhankelijk van een uitkering. Ongeveer 30 procent is recent geregistreerd vanwege “onbegrepen gedrag”, driekwart heeft strafrechtelijke antecedenten en ruim de helft is eerder verdachte geweest van een geweldsmisdrijf. Emotionele factoren zoals frustratie, machteloosheid en ervaren onrecht, maar ook alcohol‑ en drugsgebruik en groepsdruk spelen een grote rol bij escalaties.
Grote steden
De meeste incidenten vinden plaats op de openbare weg of op het water, gevolgd door woningen; in de grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag is de concentratie relatief hoog. Bij politie en boa’s speelt geweld ook regelmatig op of rond politiebureaus, terwijl brandweer- en ambulancemedewerkers vaker in woningen en zorginstellingen worden geconfronteerd. De avond, nacht, weekenden en de jaarwisseling zijn risicomomenten, waarbij ingrijpen door hulpverleners zelf een trigger kan zijn voor verdere escalatie.
De onderzoekers concluderen dat een effectieve aanpak niet kan leunen op daderprofielen alleen, maar vraagt om inzicht in het verloop van incidenten, de concrete situatie en de interactie tussen verdachte en hulpverlener. Zij benadrukken het belang van het herkennen van “triggers”, risicobewust en situatiebewust optreden en de‑escalerende communicatie. Periodieke, praktijkgerichte trainingen en nauwe samenwerking met steunpartners (zoals de politie voor andere diensten) worden daarbij als cruciaal gezien. De minister wijst erop dat de politie nu al structureel wordt getraind in de‑escalerend optreden, zowel in de basisopleiding als via jaarlijkse toetsen geweldsbeheersing.
Strafrechtelijke vervolging
Tot slot benadrukt de minister dat strafrechtelijke vervolging een essentieel onderdeel blijft van de aanpak. Er wordt gewerkt aan zwaardere straffen, onder meer via uitbreiding van het taakstrafverbod bij geweld tegen hulpverleners en verkenning van minimumstraffen voor opzettelijk geweld tegen deze groep, zoals gevraagd in een motie van Van der Plas en Yeşilgöz‑Zegerius. De resultaten van dit traject volgen voor het zomerreces; de Kamer krijgt nader gelegenheid tot debat over geweld tegen hulpverleners en “verhuftering” in de samenleving.



Geef een reactie