Het Gerechtshof Den Haag heeft in hoger beroep geoordeeld dat de gemeente Noordwijk haar wettelijke inzamelplicht voor huishoudelijk afval nakomt en de opgelegde afvalstoffenheffing terecht in rekening brengt.
De zaak betreft een inwoner van Noordwijk die eigenaar en gebruiker is van een woning aan een 315 meter lange onverharde, particuliere weg, voorzien van het bord “eigen weg, verboden toegang”. De gemeente hanteert als inzamelpunt de dichtstbijzijnde openbare weg, waar de vuilniswagens van het inzamelbedrijf het afval veilig kunnen ophalen. Belanghebbende vond de afstand tot dit inzamelpunt te groot, stelde dat de gemeente haar inzamelplicht niet nakomt en beriep zich onder meer op een (verouderde) norm van maximaal 125 meter.
Het Hof sluit aan bij het oordeel van de rechtbank dat artikel 10.21 Wet milieubeheer de gemeente verplicht huishoudelijke afvalstoffen ten minste eenmaal per week “nabij elk perceel” in te zamelen, maar dat deze plicht redelijk moet worden uitgelegd. Die inzamelplicht strekt zich niet uit tot particulier terrein; van een gemeente kan niet worden gevergd dat vuilniswagens particuliere wegen oprijden. De vroegere Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel, waarin een maximale afstand van 125 meter was opgenomen, is in 2008 vervallen; deze norm geldt dus niet meer. Zolang de gemeente een inzamelpunt aanwijst aan de dichtstbijzijnde voor openbaar verkeer toegankelijke weg waar de inzamelwagen kan komen, voldoet zij aan de wettelijke zorgplicht. Dat de bewoner een aanzienlijk stuk met de container moet lopen, hangt samen met de landelijke ligging en maakt de heffing niet onrechtmatig.
Voor de heffing zelf is beslissend dat het perceel een woning is waar “geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan”. De afvalstoffenheffing wordt op grond van de verordening geheven ter zake van het gebruik van zo’n perceel, ongeacht of de bewoner feitelijk gebruik maakt van de gemeentelijke inzameldienst. De gemeente heeft geen beleidsvrijheid om in zulke gevallen af te zien van heffing; uitzonderingen moeten in de verordening zijn opgenomen en dat is hier niet het geval.
De inwoner voerde daarnaast aan dat sprake is van schending van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, de Arbeidsomstandighedenwet en een onrechtmatige daad. Het Hof verwerpt deze klachten. Het Handvest is niet van toepassing omdat de gemeente met de afvalstoffenheffing geen Unierecht uitvoert. De Arbeidsomstandighedenwet ziet op de relatie werkgever–werknemer en heeft geen verband met de heffing; de belastingrechter is bovendien niet bevoegd om over vermeende schendingen daarvan of over civielrechtelijke schadeclaims wegens onrechtmatige daad te oordelen.
Het hoger beroep is ongegrond; de aanslag afvalstoffenheffing en de uitspraak van de rechtbank blijven in stand.



Geef een reactie