Gemeenten werken steeds vaker samen in regionale verbanden om maatschappelijke opgaven efficiënter aan te pakken. Dat kan voordelen opleveren, zoals lagere kosten en een betere aanpak van vraagstukken die gemeentegrenzen overstijgen. Tegelijkertijd maakt die ontwikkeling het voor gemeenteraden lastiger om zicht te houden op besluitvorming en om hun controlerende rol goed uit te oefenen.
Dat blijkt uit onderzoek van Rob de Greef van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU).
Veel gemeentelijke taken, zoals afvalverwerking, veiligheid en regionale planning, worden uitgevoerd via zogenoemde gemeenschappelijke regelingen. Op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) werken gemeenten, provincies en waterschappen samen in regionale verbanden. Bestuurders van deze samenwerkingen worden gecontroleerd door gemeenteraden via het principe van verlengd lokaal bestuur: raadsleden controleren hun eigen wethouders en burgemeesters die deelnemen aan het samenwerkingsverband.
Volgens De Greef functioneert dit systeem juridisch gezien naar behoren, maar ontstaan er in de praktijk knelpunten. Naarmate meer taken regionaal worden georganiseerd, wordt het voor gemeenteraden moeilijker om te volgen wat er gebeurt en om daadwerkelijk invloed uit te oefenen op besluiten.
Democratische controle onder druk
Voor zijn onderzoek analyseerde De Greef internationale verdragen, wetgeving, de Grondwet en parlementaire geschiedenis. Daarbij onderzocht hij wanneer een bestuursorgaan rechtstreeks door burgers gekozen zou moeten worden.
Uit het onderzoek blijkt dat directe verkiezingen vooral nodig zijn wanneer een bestuursorgaan zelfstandig belangrijke beleidskeuzes maakt, regels vaststelt en over een eigen budget beschikt. Veel regionale samenwerkingsverbanden voldoen formeel niet aan die voorwaarden, omdat hun bevoegdheden uiteindelijk zijn afgeleid van de deelnemende gemeenteraden. Daarom is een rechtstreeks gekozen bestuur meestal niet verplicht.
Toch signaleert De Greef dat de democratische controle in de praktijk onder druk staat. Gemeenteraden raken door het groeiende aantal samenwerkingsverbanden het overzicht kwijt, terwijl besluiten vaak al op regionaal niveau worden voorbereid voordat raden erbij betrokken raken. Daardoor kunnen raadsleden pas laat invloed uitoefenen.
Meer onderscheid tussen samenwerkingen
Volgens De Greef blijft samenwerking tussen overheden noodzakelijk, omdat veel maatschappelijke vraagstukken niet stoppen bij gemeentegrenzen. Wel pleit hij voor meer onderscheid tussen soorten samenwerkingen. Uitvoerende taken zouden eenvoudiger kunnen worden georganiseerd, terwijl regionale organen met veel beleidsvrijheid en grote budgetten sterker democratisch gecontroleerd moeten worden.
De bevindingen bieden volgens de onderzoeker concrete handvatten voor beleidsmakers, bestuurders en volksvertegenwoordigers om regionale samenwerking zowel effectief als democratisch verantwoord vorm te geven.
De Greef promoveert op 18 mei op dit onderzoek aan de Vrije Universiteit Amsterdam.



Geef een reactie