In plaats van sneller en makkelijker is de vergunningaanvraag onder de Omgevingswet juist ingewikkelder geworden. Van het beoogde gebruiksgemak via het DSO is geen sprake. Ook beslistermijnen worden overschreden.
Deze harde conclusies staan in een onderzoek van adviesbureau Kwink Groep. Opdrachtgever is de Evaluatiecommissie Omgevingswet, die onlangs haar tweede jaarrapport presenteerde, dat onveranderd kritisch is.
Het Kwink-onderzoek spreekt van een ‘confettikanon’ aan versnipperde aanvragen en complexe procedures via het DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet). De grote mate van versnippering is ontstaan, doordat er onder de Omgevingswet niet van één omgevingsvergunning sprake is.
Initiatiefnemers kunnen voor verschillende soorten activiteiten een vergunning aanvragen, zoals een bouwactiviteit, een wateractiviteit of een ‘milieubelastende activiteit’. Ze kunnen zelf bepalen voor welke activiteiten en wanneer ze een vergunning aanvragen.
Losse aanvragen
Volgens het onderzoek van Kwink maken vooral marktpartijen gebruik van deze mogelijkheid om de aanvraag in meerdere losse aanvragen op te knippen. Zo willen ze het financiële risico van hun project spreiden.
Doel is eerst zekerheid te hebben over de belangrijkste vergunning, bijvoorbeeld de afwijking van het omgevingsplan via de populaire BOPA. Daarna willen ze pas geld steken in gedetailleerde bouwtekeningen voor de technische bouwactiviteit.
Het gevolg is dat aanvragers in plaats van één integrale vergunningaanvraag een ‘regen van snippers’ op gemeenten en andere bevoegde gezagen afvuren. Dit leidt tot een enorm verlies van het totaaloverzicht op een project, aldus het Kwink-onderzoek. De gemeente krijgt op verschillende momenten losse dossiers binnen. Zij mag deze van de Omgevingswet niet zomaar zelf samenvoegen.
Op losse aanvragen volgen ook meerdere losse besluiten. Dit leidt tot versnipperde rechtsbescherming. Omwonenden moeten tegen elk besluit apart procederen, wat kan leiden tot rechtsongelijkheid en langs elkaar heen lopende procedures bij de rechter. Vanuit het veld wordt hier bevestigend op gewezen.
Gebruiksgemak
De onderzoekers zijn ook kritisch op het gebruiksgemak dat de Omgevingswet zou gaan bevorderen. Het Omgevingsloket op het DSO zou het indienen van aanvragen eenvoudiger en sneller maken, maar daar komt in de praktijk niets van terecht. Zowel bevoegde gezagen als initiatiefnemers stellen dat het juist ingewikkelder is om een aanvraag in te dienen via het DSO dan onder het oude stelsel, aldus het onderzoek.
Met name particulieren en kleine en middelgrote bedrijven hebben moeite om te bepalen welke vergunningen ze nodig hebben voor hun initiatief. Deze groep gebruikers ervaart het grote aantal vragen in de Vergunningcheck als een drempel. Menig aanvrager zou zelfs afhaken, wanneer hij het grote aantal vragen ziet.
Ook de gebezigde terminologie sluit niet altijd aan bij de belevingswereld van gebruikers, stelt het Kwink-onderzoek. Ze vinden het daardoor lastig om de juiste activiteiten te selecteren.
Vertraging
Gemeenten merken dat er regelmatig foutieve aanvragen worden ingediend, wat leidt tot vertraging en extra administratieve lasten. De uitvoeringscapaciteit staat hier verder door onder druk.
In een rondgang in maart langs een aantal gemeenten door Gemeente.nu trokken wethouders vergelijkbare conclusies. Ook op de Vergunningcheck was eerder volop kritiek vanuit gemeenten.
Termijnen niet gehaald
Van een snellere besluitvorming, een ander prestigieus doel van de Omgevingswet, is eveneens nog geen sprake volgens het onderzoek van Kwink. Grofweg de helft van de vergunningaanvragen waarbij de gemeente het bevoegd gezag is, wordt niet binnen de wettelijke termijn gehaald. De onderzoekers concluderen dit op basis van de monitoringdata van de VNG, die ze hebben geanalyseerd.
Onder de oude wet Wabo gold voor ingewikkelde projecten vaak de uitgebreide procedure van 26 weken. De Omgevingswet heeft de reguliere procedure van acht weken tot standaard verheven. Deze termijn blijkt voor de ambtelijke praktijk simpelweg te kort om complexe, integrale afwegingen te maken. Wat weer alles met de beperkte capaciteit bij gemeenten te maken heeft.
Nog altijd wennen
Aan de andere kant is het voor vergunningverleners, ook na anderhalf jaar Omgevingswet in bedrijf, nog altijd wennen aan het werken met de wet. Daardoor zijn zij soms langer bezig met een besluit.
Dit heeft als neveneffect dat veel bevoegde gezagen de beslistermijn regelmatig met zes weken verlengen, omdat dit extra tijd biedt. Dat zou nodig zijn om een kwalitatief goed besluit te kunnen nemen.
De Omgevingswet stimuleert dat problemen vooraf aan de ‘omgevingstafel’ met alle partijen worden opgelost. In de praktijk dienen initiatiefnemers hun plannen echter nog vaak meteen in als formele aanvraag, waardoor de gemeente direct onder tijdsdruk moet gaan puzzelen en afstemmen.
Stikstofproblematiek
Veel aanvragen lopen vast op complexe, overkoepelende dossiers. Als voorbeeld noemt Kwink de stikstofproblematiek die ertoe leidt dat er nog nauwelijks natuurvergunningen voor Natura 2000-gebieden worden afgegeven.
Daarnaast moeten gemeenten vaker extern advies inwinnen bij onder meer de GGD, wat binnen acht weken bijna onhaalbaar is. Gemeenten moeten samenwerken met de GGD, omdat ‘gezondheid’ onder de Omgevingswet een belangrijkere plek heeft gekregen dan onder het oude Wabo-stelsel.
Automatisch
Ook de mogelijkheid van de ‘Lex Silencio Positivo’ is er niet meer. Als een gemeente onder Wabo de beslistermijn overschreed, dan werd de vergunning automatisch (van rechtswege) verleend. Deze route is onder de Omgevingswet bewust afgeschaft, om te voorkomen dat er ongewenste of gevaarlijke bouwwerken zouden ontstaan door tijdgebrek.
Als de gemeente nu te laat is, krijgt de aanvrager de vergunning dus niet langer automatisch, maar kan hij de gemeente wel in gebreke stellen om via een dwangsom besluitvorming af te dwingen. Het aanvraagproces zelf vertraagt dus gewoon.





Geef een reactie