Geen idee of het een trend is. Deze week passeerde twee keer een bericht dat kersverse coalitieprogramma’s het voornemen bevatten om eens flink te gaan bezuinigen op de rekenkamer. Het kan zijn dat het bij deze twee gemeenten (Pijnacker-Nootdorp en Utrecht) blijft. Maar dat zou wel heel toevallig zijn.
Het coalitieprogramma van Pijnacker-Nootdorp bevat geen onderbouwing voor de bezuiniging, zo’n 30% van het oorspronkelijke budget. Maar de verantwoording van de coalitiepartners in Utrecht voor de structurele bezuiniging van zo’n 1,5 ton op jaarbasis trof mij als buitengemeen cynisch: “We kijken ook naar onszelf als het gaat om bezuinigingen. We hebben moeilijke keuzes moeten maken om de schaarse middelen te verdelen. We hebben daarbij ook naar onszelf – de raad – gekeken, en zijn gekomen tot een bezuiniging die landt bij de Rekenkamer.” Wel, beste coalitiepartijen: Je bezuinigt zo helemaal niet op jezelf; je voelt daar in ieder geval de pijn niet van. Het is alsof ik tegen mijn vrouw zou zeggen: “We gaan bezuinigen en daarom heb ik jouw schaatslessen opgezegd.”
Lastige start
Deze twee voorbeelden troffen mij vooral onaangenaam omdat rekenkamers na de invoering van het dualisme een lastige start kenden. Veel besturen, niet alleen colleges van B&W maar ook gemeenteraden, stelden zonder gêne dat ze het nut van de versterking van de controlerende functie niet zagen zitten. Ik heb daar van begin af tegen moeten opboksen. Langzamerhand heb ik kunnen constateren dat rekenkamers meer en meer hun meerwaarde kunnen bewijzen. De rekenkamer is een goede en nuttige ondersteuning van de volksvertegenwoordiging. Zie het als een investering die uitstekend rendeert als het gaat om de kwaliteit van het openbaar bestuur. Dat gaat niet vanzelf, dat vraagt om vasthoudendheid van de rekenkamer, dat vraagt om permanente aandacht voor de kwaliteit van het functioneren van de rekenkamer, dat is een groeiproces. Na twintig jaar bereiken rekenkamers (wat later dan de tegelijkertijd begonnen griffies) een stadium van volwassenheid. En nu zijn er opeens gemeenteraden die zeggen; ach, het kan wel weer wat minder.
Echt, wat denken ze hier nu mee te bereiken?
Peter Castenmiller is als senior-onderzoeker werkzaam bij PBLQ en doet al vele jaren onderzoek in het decentraal bestuur. Hij is tevens verbonden aan het Instituut Politicologie van de Universiteit Leiden en de Faculteit Bestuurskunde van de Vrije Universiteit.




Geef een reactie