In mijn eerste jaren bij het onderzoeksbureau van de VNG deed ik geregeld veiligheidsonderzoek. Sinds de jaren tachtig van de twintigste eeuw was het besef ontstaan dat de burgemeester, als strenge burgervader, samen met ‘zijn’ oom agent toch steeds minder opgewassen waren tegen de toenemende criminaliteit. Er was behoefte aan een meer brede en integrale aanpak.
Om de geesten daarvoor rijp te maken deed ik, in opdracht van zowel de VNG als BZK, veel verkennend onderzoek. Dat bestond vooral uit rondreizen door Nederland om her en der met burgemeesters te spreken die hier al opvattingen over hadden. Zo kwam ik bij een burgemeester in Flevoland terecht. Van het gesprek herinner ik mij niets meer. Maar wel wat er na afloop gebeurde. Terwijl ik mijn tas inpakte, informeerde de burgemeester belangstellend: “Moet je nu helemaal terug naar Den Haag?” Ja, natuurlijk. Of ik dan eerst iets wilde eten. Nu waren toentertijd de bedrijfsrestaurants bij gemeenten nog niet heel professioneel. Menig ambtenaar, zeker in de kleinere gemeenten, ging tussen de middag nog thuis eten. Ik stelde mij er niet veel van voor, maar ik wilde het vriendelijke gebaar niet afwijzen. Ja hoor, ik wilde wel eerst wat eten. Tot mijn verbazing greep de burgemeester terstond de telefoon en belde zijn vrouw. Nee, vandaag kwam hij niet thuis eten. Ik mompelde nog dat dit voor mij niet had gehoeven. Maar de burgemeester was vastbesloten. Of ik met de auto was. Ja, dat was het geval. Wel, dan zouden we even ergens heen rijden.
Nu zijn de gemeenten in de Flevopolders vrij uitgestrekt. Het was een tochtje van al gauw twintig kilometer. De burgemeester dirigeerde mij naar een etablissement dat ik zelf nooit zou hebben gevonden, maar dat zo te merken een vrij exclusieve clientèle had. Ik bleef bescheiden, maar het werd toch een rijke lunch. Ondertussen vertelde de burgemeester mij dat de burgemeesters van alle poldergemeenten eind jaren zeventig daar met de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken hadden gedineerd. Bij aanvang van het diner zou de minister nog niet van mening zijn geweest dat Flevoland een zelfstandige, nieuwe provincie moest worden. Maar aan het einde, ongetwijfeld ook na de nodige wijn, was hij daar alsnog van overtuigd geraakt. In 1986 is dat gerealiseerd.
Ik kende die anekdote niet, en heb die eigenlijk nooit uit een andere bron bevestigd gezien. Maar ik vind deze wel aannemelijk. Als ik lesgeef over interbestuurlijke verhoudingen benadruk ik dat relevante wetten bewust wat vaag zijn gelaten, om te voorkomen dat de flexibiliteit in de verhoudingen verdwijnt. Maar weinig mensen kennen de spelregels, nog minder kunnen ze doorzien, Daardoor kunnen toevallige samenlopen van omstandigheden en individuen een verschil maken. Bovendien had natuurlijk niemand voorzien dat in de Grondwet of Gemeentewet vastgelegd had moeten worden hoe omgegaan moest worden met volledig nieuwe gemeenten. Dan hebben zes burgemeesters en een minister zomaar een vrij speelveld.
Deze gebeurtenissen illustreren dat burgemeesters het in de vorige eeuw niet zo druk hadden. Er was altijd wel ruimte voor een lunchafspraak. En er waren blijkbaar ook burgemeesters die elke gelegenheid aangrepen om copieus buiten de deur te gaan eten. En verder, tja, wellicht is de provincie Flevoland toch een nogal toevallig fenomeen. Voor hetzelfde geld was het anders gelopen.
Peter Castenmiller is als senior-onderzoeker werkzaam bij PBLQ en doet al vele jaren onderzoek in het decentraal bestuur. Hij is tevens verbonden aan het Instituut Politicologie van de Universiteit Leiden en de Faculteit Bestuurskunde van de Vrije Universiteit.




Geef een reactie