De inhoud van een vergunningaanvraag is bepalend voor de vraag waarover een bestuursorgaan moet beslissen. Dat een aanvraagformulier de mogelijkheid biedt om meerdere vergunningen aan te vragen, betekent niet dat die ook allemaal zijn aangevraagd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt daarom dat de burgemeester niet hoefde te beslissen op een exploitatievergunning die uit de aanvraag niet bleek. Ook de beslistermijn van art. 4:13 Awb is dan niet van toepassing.
De burgemeester van Utrecht verleent aan X een alcoholvergunning voor additionele horeca bij een lokatie aan de Mariaplaats. Omwonende A, die naast het congresgebouw woont, maakt bezwaar tegen de vergunning. Volgens haar ziet de aanvraag niet alleen op een alcoholvergunning, maar ook op een exploitatievergunning. De burgemeester had daarom ook op die aanvraag moeten beslissen.
Na bezwaar herroept de burgemeester het primaire besluit gedeeltelijk, maar laat het bestreden onderdeel in stand. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Zij oordeelt dat uitsluitend een alcoholvergunning is aangevraagd en dat de vraag of daarnaast een exploitatievergunning is vereist, buiten het geding valt.
In hoger beroep legt A zes stukken over die volgens haar aantonen dat eveneens een exploitatievergunning is aangevraagd. Centraal staat de vraag of de burgemeester de aanvraag mede had moeten aanmerken als een aanvraag om een exploitatievergunning.
Inhoud van de aanvraag is bepalend
De Afdeling constateert dat A in hoger beroep grotendeels dezelfde gronden aanvoert als bij de rechtbank. Zij onderschrijft het oordeel van de rechtbank en vult dit aan met de overweging dat de aanvrager zelf bepaalt voor welke vergunning hij een aanvraag indient. Voor het bestuursorgaan is de inhoud en strekking van die aanvraag leidend. Daarbij verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3297).
Uit de ingediende aanvraag blijkt niet dat tevens een exploitatievergunning is gevraagd. Ook heeft de vergunninghouder op geen enkel moment kenbaar gemaakt dat dit de bedoeling was.
Geen besluitplicht zonder aanvraag
Het enkele feit dat met hetzelfde formulier zowel een alcoholvergunning als een exploitatievergunning kan worden aangevraagd, betekent niet dat beide vergunningen ook daadwerkelijk zijn aangevraagd. De door A overgelegde stukken leiden evenmin tot die conclusie.
Omdat geen aanvraag voor een exploitatievergunning voorlag, rustte op de burgemeester geen verplichting daarover een besluit te nemen. De beslistermijn van artikel 4:13 Awb is daarom niet van toepassing. Om die reden hoeft de Afdeling ook niet in te gaan op het standpunt van de burgemeester dat het relativiteitsvereiste aan een beroep op artikel 4:13 Awb in de weg zou staan.
Nu A daarnaast geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de verleende alcoholvergunning, slaagt haar hoger beroep niet.
Conclusie
De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen. De alcoholvergunning blijft in stand.




Geef een reactie