De Tweede Kamer wil dat de inbrengwaarde van grond bij gebiedsontwikkeling voortaan zoveel mogelijk wordt bepaald met de residuelewaardemethodiek. De aangenomen motie van CU-Kamerlid Grinwis beoogt daarmee speculatief hoge grondprijzen tegen te gaan zonder de grondverwerving en woningbouw te vertragen.
De prijs waarvoor grond wordt verworven heeft grote invloed op de financiële haalbaarheid van woningbouwprojecten. In de motie wordt gewezen op brede politieke en maatschappelijke steun voor het tegengaan van speculatieve grondhandel en de daarmee samenhangende hoge grondverwervingsprijzen.
De indieners zien de residuelewaardemethodiek als alternatief voor een planbatenheffing. Bij deze methode wordt de grondwaarde afgeleid van de verwachte opbrengst van een ontwikkeling, verminderd met de kosten om die ontwikkeling te realiseren. Volgens de motie kan deze systematiek speculatief hoge verwervingsprijzen tegengaan zonder dat de verwerving van grond stagneert. Ook de adviesgroep STOER heeft toepassing van de residuele methode aanbevolen.
Alternatief voor planbatenheffing
De achtergrond is de al langer lopende discussie over de vraag hoe waardestijging van grond als gevolg van woningbouwplannen kan worden afgeroomd. Een eerder veelbesproken mogelijkheid is een planbatenheffing. Grinwis stelde bij de oorspronkelijke indiening van de motie in januari dat zo’n heffing volgens hem in de praktijk onzekerheid en vertraging kan veroorzaken, onder meer doordat grondeigenaren minder reden zouden hebben hun grond vrijwillig te verkopen. De residuele methode zag hij als een middenweg tussen de huidige waarderingspraktijk en het volledig afromen van waardestijgingen.
De oorspronkelijke motie werd in januari aangehouden. In september is zij gewijzigd en opnieuw ingediend. In de nu aangenomen motie wordt de regering gevraagd artikel 8.17 van het Omgevingsbesluit aan te passen. De inbrengwaarde van grond moet vervolgens zo mogelijk vanaf 1 januari 2028 en uiterlijk per 1 januari 2029 worden bepaald op basis van de residuelewaardemethodiek.
Daarmee kiest de Kamer voor een wijziging van de wijze waarop grond bij gebiedsontwikkeling wordt gewaardeerd. De beoogde gedachte achter de motie is dat minder van de toekomstige opbrengst van een woningbouwontwikkeling in hoge grondprijzen terechtkomt, terwijl grondeigenaren voldoende aanleiding houden om grond te verkopen.
Kritiek
Er klinkt ook kritiek op het voorstel volgens het FD. Volgens de VNG kan het gebruik van de zogenoemde residuele waarde de woningbouw juist vertragen.
De gemeenten waarschuwen dat de uitkomsten van berekeningen volgens deze methode sterk kunnen schommelen. Dat kan volgens de VNG de uitvoering ingewikkelder maken en leiden tot meer discussies en juridische procedures over de uitgangspunten die bij de waardebepaling worden gehanteerd.
De VNG geeft daarom de voorkeur aan een andere methode, waarbij voor de waardering van grond wordt uitgegaan van de gebruikswaarde.




Geef een reactie