De burgemeester van Haarlem mocht twee demonstranten van Extinction Rebellion geen preventieve last onder dwangsom opleggen om toekomstige demonstraties te beëindigen.
Dat heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 september 2026 bepaald. Daarmee bevestigt de Raad van State een eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland.
De zaak begon met een demonstratie van Extinction Rebellion op 1 oktober 2022 in een Albert Heijn in Haarlem. Twee demonstranten weigerden de winkel te verlaten nadat de winkelmanager daarom had gevraagd. De burgemeester legde hun daarop een last onder dwangsom op. Die hield in dat zij ook bij toekomstige demonstraties op niet-openbare plaatsen onmiddellijk moesten vertrekken als de burgemeester daartoe opdracht gaf. Als zij dat niet deden, moesten zij per overtreding 1.000 euro betalen, met een maximum van 5.000 euro.
De rechtbank oordeelde eerder al dat de burgemeester deze maatregel niet mocht opleggen. Volgens de rechtbank biedt de Wet openbare manifestaties (Wom), waarin de regels rond demonstraties zijn vastgelegd, daarvoor geen mogelijkheid. Bovendien vond de rechtbank de opgelegde last onvoldoende duidelijk: zo was niet concreet aangegeven om welke toekomstige demonstraties en locaties het ging.
De burgemeester ging tegen die uitspraak in hoger beroep. Hij stelde dat hij op basis van zijn algemene bevoegdheid om de openbare orde te handhaven wél een dwangsom mocht opleggen. De Raad van State gaat daar niet in mee.
Chilling effect
Daarbij speelt het grondwettelijke recht om te demonstreren een belangrijke rol. Volgens de Raad van State kan een preventieve dwangsom mensen ervan weerhouden om aan toekomstige demonstraties deel te nemen. De maatregel heeft daarmee een zogenoemd ‘chilling effect’: uit angst voor een boete kunnen mensen besluiten niet te demonstreren. Daarmee vormt de dwangsom een beperking van het demonstratierecht.
Zo’n beperking mag niet zomaar worden gebaseerd op de algemene bevoegdheden van een burgemeester. De Grondwet bepaalt om welke redenen het demonstratierecht mag worden beperkt, bijvoorbeeld ter bescherming van de gezondheid, het verkeer of ter voorkoming van wanordelijkheden. De algemene bevoegdheid uit de Gemeentewet waarop de burgemeester zich beriep, bevat die voorwaarden niet. Bovendien kent de Wom volgens de Raad van State een compleet stelsel van regels en bevoegdheden voor demonstraties. Daar kan de burgemeester niet via een algemene bepaling uit de Gemeentewet een extra handhavingsmiddel aan toevoegen.
Daar komt bij dat de burgemeester een dwangsom had opgelegd voor mogelijk toekomstig gedrag. Op het moment dat de dwangsom werd opgelegd, was een toekomstige demonstratie nog niet verboden. Volgens de Raad van State kan geen dwangsom worden opgelegd voor iets wat op dat moment nog niet verboden is.
Het hoger beroep van de burgemeester is daarom ongegrond. De eerdere uitspraak blijft in stand en de lasten onder dwangsom zijn definitief van tafel.




Geef een reactie