Woningzoekenden met een Marokkaans klinkende naam hebben nog altijd minder kans om te worden uitgenodigd voor een bezichtiging. Tegelijkertijd herkennen verhuurbemiddelaars discriminatie steeds beter, maar weigeren zij discriminerende verzoeken van verhuurders lang niet altijd.
Dat blijkt uit de vijfde landelijke monitor naar discriminatie bij woningverhuur. Minister Boekholt-O’Sullivan schrijft aan de Tweede Kamer dat de aanpak van woondiscriminatie daarom onverminderd wordt voortgezet. Die aanpak bestaat uit monitoring, voorlichting, handhaving via de Wet goed verhuurderschap en samenwerking met gemeenten en de verhuurbranche.
Voor het onderzoek zijn 4.096 correspondentietesten uitgevoerd. Daarbij reageren twee fictieve, vrijwel identieke woningzoekenden op dezelfde huurwoning, waarbij bijvoorbeeld alleen hun naam verschilt. Daarnaast zijn 200 zogenoemde mystery calls uitgevoerd, waarbij verhuurbemiddelaars een discriminerend verzoek van een fictieve verhuurder kregen voorgelegd.
Marokkaans klinkende naam verkleint kans
De daling van de discriminatiecijfers die sinds 2021-2022 zichtbaar was, zet niet voor alle groepen door. Voor mannen met een Marokkaans klinkende naam is een statistisch significante discriminatiegraad van 14% gemeten, voor vrouwen met een Marokkaans klinkende naam 16%. Volgens de onderzoekers is sprake van blijvende discriminatie van deze groep.
Voor woningzoekenden met een Pools klinkende mannennaam en voor verschillen naar seksuele gerichtheid of gender zijn geen aanwijzingen gevonden voor systematische discriminatie bij uitnodigingen voor bezichtigingen.
Opvallend is dat verhuurbemiddelaars discriminerende verzoeken steeds beter herkennen. In 2021-2022 benoemde 26% van hen expliciet of indirect dat een verzoek discriminerend was. In 2024-2025 was dat al 55,5%. Meer bewustzijn betekent echter niet automatisch dat bemiddelaars weigeren mee te werken. Maar liefst 78,5% wijst een discriminerend verzoek niet expliciet af en biedt er direct of indirect ruimte voor. Een jaar eerder was dat 77,5%.
Geen meldplicht voor verhuurbemiddelaars
Het kabinet ziet geen aanleiding om een aparte meldplicht voor discriminerende verzoeken aan verhuurbemiddelaars in te voeren. Eerder onderzoek wees volgens de minister uit dat zo’n meldplicht moeilijk te controleren en slechts beperkt effectief is. Het kabinet houdt daarom vast aan monitoring en bewustwording, gecombineerd met handhaving via de Wet goed verhuurderschap. Die wet verplicht verhuurders en bemiddelaars onder meer een transparante en objectieve selectieprocedure te gebruiken. Gemeenten kunnen optreden als deze regels worden overtreden.
De jaarlijkse monitoring wordt de komende twee jaar voortgezet. Ook komen er nieuwe communicatiecampagnes en wordt gewerkt aan één landelijke organisatie voor antidiscriminatievoorzieningen met lokale loketten. Dat nieuwe stelsel moet op 1 januari 2028 ingaan. Verder bespreekt de minister op 10 december 2026 de uitkomsten van de monitor met gemeenten en brancheverenigingen.




Geef een reactie