De VVD heeft een initiatiefwetsvoorstel ingediend om religieuze uitingen bij bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s), zoals hoofddoekjes, landelijk te verbieden.
Volgens de VVD is een neutrale uitstraling van boa’s essentieel, omdat zij namens de overheid optreden, beschikken over opsporings- en geweldsbevoegdheden en daarmee diep kunnen ingrijpen in de rechten van burgers. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat deze bevoegdheden onpartijdig en zonder zichtbare religieuze of levensbeschouwelijke beïnvloeding worden uitgeoefend.
Neutraliteit
Aanleiding voor het wetsvoorstel is dat de bestaande Richtlijn lifestyle-neutraliteit buitengewoon opsporingsambtenaren uit 2022 geen wettelijke status heeft en daardoor niet afdwingbaar is. Hoewel de meeste gemeenten de richtlijn aanvankelijk volgden, hebben inmiddels meerdere gemeenten besloten religieuze uitingen, zoals een hoofddoek, bij het boa-uniform toe te staan. Volgens de VVD leidt deze uiteenlopende praktijk tot rechtsongelijkheid en tast zij de gewenste neutraliteit van het openbaar gezag aan. Eerdere pogingen van de regering om het verbod via een algemene maatregel van bestuur (AMvB) te regelen strandden nadat de Afdeling advisering van de Raad van State oordeelde dat een beperking van de godsdienstvrijheid een wettelijke grondslag in formele zin vereist. Dit initiatiefwetsvoorstel wil daarin voorzien.
Contact met publiek
Het verbod geldt uitsluitend voor boa’s die tijdens hun werkzaamheden herkenbaar zijn door het dragen van een uniform of bedrijfskleding en direct contact hebben met het publiek. Buiten werktijd of tijdens werkzaamheden zonder publiekscontact mogen zij hun religieuze of levensbeschouwelijke overtuiging zichtbaar blijven uitdragen. Daarmee wil de VVD het verbod beperken tot situaties waarin de boa optreedt als vertegenwoordiger van het openbaar gezag.
Grondrechten
In de memorie van toelichting wordt uitgebreid ingegaan op de verhouding tot grondrechten, met name de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. De initiatiefnemer erkent dat het voorstel een beperking vormt van deze vrijheid, maar acht deze gerechtvaardigd op grond van artikel 9 EVRM. Volgens de toelichting dient het verbod een legitiem doel, namelijk het waarborgen van de neutraliteit van de overheid en het beschermen van de rechten en vrijheden van burgers. De maatregel wordt bovendien proportioneel geacht, omdat deze beperkt blijft tot geüniformeerde boa’s tijdens de uitoefening van hun publieke taak, en subsidiair, omdat de huidige richtlijn onvoldoende effectief is gebleken. Ook wordt betoogd dat het verbod geen verboden discriminatie oplevert, hoewel sprake kan zijn van indirect onderscheid. Dat onderscheid zou objectief gerechtvaardigd zijn door het nagestreefde doel van een neutrale overheid. Daarbij wordt verwezen naar jurisprudentie van zowel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Naleving
De werkgever blijft verantwoordelijk voor de naleving van het verbod, terwijl de bestaande toezichtstructuur voor boa’s wordt gebruikt voor de handhaving. Zo zal de direct toezichthouder toezien op naleving en kan de minister uiteindelijk de opsporingsbevoegdheid schorsen of beëindigen wanneer een boa zich niet aan de regels houdt. De initiatiefnemer verwacht dat de financiële gevolgen en de administratieve lasten van het voorstel beperkt zullen zijn.
Tijdens de internetconsultatie en in adviezen van onder meer het College voor de Rechten van de Mens, de FNV, het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM) en verschillende moskeekoepels is stevige kritiek geuit. Volgens deze organisaties ontbreekt een overtuigende onderbouwing dat zichtbare religieuze uitingen afbreuk doen aan de neutraliteit van boa’s en leidt het voorstel tot indirecte discriminatie, met name van islamitische vrouwen en Joodse mannen. De VVD verwerpt deze kritiek en benadrukt dat het wetsvoorstel niet ziet op het gedrag van individuele boa’s, maar op de institutionele uitstraling van het ambt. Net als bij politieambtenaren acht de VVD een zichtbaar neutrale overheid noodzakelijk om het vertrouwen in de onpartijdigheid van de overheid te waarborgen.
Hoewel in de Tweede Kamer een ruime meerderheid voorstander is van een landelijk uniform zonder zichtbare religieuze uitingen, lopen de opvattingen daarover lokaal uiteen. Sommige gemeenteraden zijn juist van mening dat boa’s met een hoofddoek, keppel of kruisje bijdragen aan een inclusieve samenleving.




Geef een reactie