Het kabinet wil de komende vier jaar 75.000 meer statushouders en kansrijke asielzoekers aan het werk helpen. Minister Aartsen van Werk en Participatie stelt werk centraal in de inburgering. In de komende periode voert hij hier gesprekken over met werkgevers.
Van de statushouders die in 2021 een verblijfsvergunning kregen, werkt na twee jaar nog geen kwart. Na meerdere jaren loopt dat op tot 57%, maar daarmee blijven nieuwkomers ver achter bij het Nederlandse gemiddelde van 81%. Minister Aartsen noemt dat een gemiste kans: ‘Nieuwkomers hebben talenten. Zij kunnen én willen werken.’
Drempels moeten weg
Veel nieuwkomers lopen vast in het systeem. Ze wachten vaak lang op een verblijfsvergunning, verhuizen de eerste jaren regelmatig en het duurt vaak lang totdat ze een woning hebben gevonden. Bovendien spreken ze de taal niet, missen ze een netwerk en beschikken ze niet over erkende diploma’s. Ook veel werkgevers werken belemmerend: ze stellen bijvoorbeeld hoge taaleisen of willen alleen fulltimers.
Werk vanaf dag één
De minister wil dat werken centraal komt te staan in de inburgering. Bijvoorbeeld door ruimte te creëren naast de inburgeringslessen, zodat nieuwkomers vier dagen per week kunnen werken. Wie relevante werkervaring meeneemt, moet die via een erkend traject kunnen laten aansluiten op de Nederlandse arbeidsmarkt. Ook werken tijdens het verblijf in de asielopvang zou mogelijk moeten worden. Tekortsectoren zoals de bouw en de zorg staan daarbij voorop.
Aartsen voert gesprekken met werkgevers- en brancheorganisaties om concrete afspraken te maken over meer werkplekken. Gemeenten zetten al startbanen in voor statushouders direct na vestiging. Na de zomer volgt een nadere uitwerking van het plan ‘Werk en meedoen voor nieuwkomers’.





Geef een reactie