Huishoudens waren in 2024 gemiddeld een iets kleiner deel van hun inkomen kwijt aan wonen dan een jaar eerder. Toch blijven vooral starters op de particuliere huurmarkt relatief zwaar belast. Zij besteedden in doorsnee 35,1 procent van hun besteedbaar inkomen aan woonlasten, de hoogste woonquote van alle onderzochte groepen.
Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
De verschillen in woonlasten zijn vooral zichtbaar tussen huurders en woningeigenaren. Huishoudens in een koopwoning waren in 2024 gemiddeld 16,3 procent van hun inkomen kwijt aan wonen. Voor huurders van een corporatiewoning lag dat aandeel op 24,6 procent en voor huurders in de particuliere sector op 30,0 procent. Voor alle groepen daalde de woonquote licht ten opzichte van 2023.
Woonduur speelt beperkte rol
Naast eigendomsvorm is ook gekeken naar de duur van bewoning. De verschillen blijken daarbij relatief klein. Huurders van een particuliere woning die minder dan vijf jaar op hun adres wonen, hadden met 31,0 procent de hoogste woonquote. Woningeigenaren die twintig jaar of langer in dezelfde woning wonen, waren met 15,2 procent van hun inkomen het minst kwijt aan woonlasten.
Bij huishoudens die minder dan een jaar geleden verhuisden, ligt de woonquote wel hoger. Voor eigenaren bedraagt deze 23,4 procent, voor corporatiehuurders 26,5 procent en voor particuliere huurders 33,5 procent. Vooral bij woningeigenaren neemt de woonquote in de eerste jaren na aankoop relatief snel af. Dat komt doordat hypotheeklasten vaak gelijk blijven of dalen, terwijl inkomens doorgaans stijgen.
Starters betalen relatief het meest
Huishoudens die volledig bestaan uit starters op de woningmarkt hebben over het algemeen hogere woonlasten dan doorstromers. Het verschil is het grootst onder woningeigenaren: starters besteden 26,3 procent van hun inkomen aan wonen, tegenover 22,9 procent voor doorstromers.
De hoogste woonquote wordt gemeten bij starters in een particuliere huurwoning. Zij zijn gemiddeld 35,1 procent van hun besteedbaar inkomen kwijt aan woonlasten. Bij doorstromers in dezelfde sector ligt dat aandeel iets lager, op 33,5 procent.
Grote steden nauwelijks duurder voor koopstarters
Voor starters met een koopwoning verschillen de woonquotes tussen de vier grootste steden en de rest van Nederland nauwelijks. In Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht liggen de woonquotes tussen 25,9 en 27,6 procent, vergelijkbaar met het landelijke niveau van 26,2 procent.
Bij doorstromers met een koopwoning zijn de verschillen groter. In de grote steden ligt hun woonquote tussen 24,8 en 25,4 procent, terwijl deze in de rest van Nederland uitkomt op 22,6 procent. Ook de maandelijkse woonlasten zijn daar gemiddeld hoger.
De cijfers zijn afkomstig uit de Woonbase, het integrale woononderzoek van het CBS en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De resultaten hebben betrekking op particuliere huishoudens in reguliere woningen en sluiten studentenhuishoudens en andere gedeelde woonvormen uit.




Geef een reactie