Ondanks de toenemende zorgen over jongeren die na afloop van hun huurcontract geen nieuwe woning kunnen vinden, ziet minister Boekholt-O’Sullivan geen aanleiding om de regels voor jongerenhuurcontracten aan te passen.
Dit schrijft de minister in antwoord op Kamervragen over jongeren die na afloop van een jongerenhuurcontract moeite hebben om vervangende woonruimte te vinden. Aanleiding vormt de situatie van een Rotterdamse huurder die na afloop van haar contract dreigt haar woning te verliezen.
De minister erkent dat veel jongeren in onzekerheid verkeren over hun woonsituatie en dat de krappe woningmarkt grote invloed heeft op de manier waarop zij hun leven kunnen inrichten. Zij deelt echter niet de opvatting dat het jongerenhuurcontract is verworden tot een instrument dat jongeren “op straat zet”.
Volgens de minister gaat het bij een jongerenhuurcontract om een doelgroepcontract dat specifiek is bedoeld voor woningen die bestemd zijn voor jongeren, studenten of promovendi. Een verhuurder kan het contract pas beëindigen nadat minimaal vijf jaar zijn verstreken, eventueel verlengd tot maximaal zeven jaar. Daarnaast moet in de huurovereenkomst expliciet zijn vastgelegd dat de woning voor de betreffende doelgroep is bedoeld en moet de woning na beëindiging opnieuw aan een jongere, student of promovendus worden toegewezen.
De minister benadrukt dat een verhuurder een huurcontract niet eenzijdig kan beëindigen. Als de huurder niet instemt met de opzegging, kan alleen de rechter de huurovereenkomst beëindigen. Daarbij worden alle omstandigheden van het geval meegewogen. Ook wijst zij erop dat huurders met een jongerencontract hun opgebouwde inschrijfduur als woningzoekende behouden.
Geen cijfers over omvang probleem
Op de vraag hoeveel jongeren met een aflopend jongerenhuurcontract risico lopen op dakloosheid, antwoordt de minister dat hierover geen cijfers beschikbaar zijn. Huurcontracten zijn privaatrechtelijke overeenkomsten tussen huurder en verhuurder en de overheid houdt geen gegevens bij over het gebruik van specifieke contractvormen.
Wel verwijst de minister naar een aangenomen motie die vraagt onderzoek te doen naar de omvang van dakloosheid onder jongeren met aflopende flexibele huurcontracten.
Geen nieuwe maatregelen
De minister ziet geen aanleiding om woningcorporaties wettelijk te verplichten jongeren pas uit hun woning te laten vertrekken wanneer vervangende woonruimte beschikbaar is. De huidige wettelijke waarborgen acht zij voldoende. Ook een landelijke noodprocedure voor jongeren die geen andere woning kunnen vinden, acht zij niet nodig.
Ten aanzien van woonfraude en malafide tussenpersonen wijst de minister op bestaande maatregelen, waaronder een voorstel voor een huurregister dat meer transparantie moet bieden in de huur-verhuurrelatie.




Geef een reactie