Gemeenten maaien dijken en bermen steeds vaker gefaseerd. Zo blijven er planten staan waar insecten voedsel en beschutting kunnen vinden. Toch blijkt deze aanpak niet voor alle insectensoorten voldoende. Onderzoek van ecoloog Constant Swinkels van de Radboud Universiteit laat zien dat veel bestuivers een gemaaide dijk al na enkele dagen verlaten. ‘Na vier dagen trekken bestuivers massaal weg van een dijk.’
Maaien is noodzakelijk om dijken sterk en veilig te houden, legt Swinkels uit. ‘Als je niet maait, kunnen er bomen of sterke struiken zoals bramen gaan groeien. Dat wil je niet, want die hebben zulke dikke wortels dat ze de dijk kunnen beschadigen.’
Daarom worden dijken in Nederland doorgaans twee keer per jaar gemaaid. Dat gebeurt steeds vaker gefaseerd: niet alle begroeiing wordt in één keer weggehaald, zodat er stroken met planten overblijven waar insecten voedsel en beschutting kunnen vinden.
Uit het onderzoek van Swinkels blijkt echter dat deze aanpak niet voor alle insecten even goed werkt. Direct na het maaien verzamelen veel insecten zich in de overgebleven stroken. ‘Net na het maaien trekken alle insecten naar die strook en wordt het veel drukker. We zien twee keer zoveel bloembezoek en veel meer beestjes. Maar na vier dagen verlaten ze de dijk en stort de gemeenschap helemaal in. Alleen sterke bijen, zoals de honingbij, blijven over.’
Vooral zeldzamere soorten blijken dus kwetsbaar voor de gevolgen van maaien, ook wanneer dat gefaseerd gebeurt.
30.000 bloembezoeken
Voor zijn onderzoek telde Swinkels samen met veertig studenten zo’n 30.000 bloembezoeken. Daarnaast determineerden zij 5.000 wilde bestuivers tot op soortniveau. De onderzoekers bestudeerden dijken in de Ooijpolder bij Nijmegen. Eerst brachten ze de insecten in kaart voordat er werd gemaaid. Vervolgens werd op een aantal dijken ongeveer 70 procent van de begroeiing weggemaaid, terwijl andere dijken ongemoeid bleven.
Het verschil tussen de gemaaide en niet-gemaaide dijken bleek groot. ‘Hoewel gefaseerd maaien beter is dan alles platmaaien, is het niet de golden bullet. Er zijn veel soorten die ook bij gefaseerd maaibeheer wegvliegen, op zoek naar een veilig heenkomen.’
Volgens Swinkels ligt de oplossing daarom niet alleen in de manier waarop één dijk wordt gemaaid. Er is een bredere blik op het landschap nodig. ‘We moeten niet op de vierkante centimeter kijken, maar veel wijder. Kijk bijvoorbeeld naar wanneer een grasveld naast de dijk in bloei staat en stem daar het maaibeleid op af. Of maai de ene dijk vroeg en de andere juist laat. Insecten moeten ergens heen kunnen.’
Variatie én continuïteit in het beheer zijn daarbij belangrijk. ‘In de ecologie zeggen we altijd: de natuur is er het meest bij gebaat als je overal iets anders doet, maar op dezelfde plek wel steeds hetzelfde. Continu beheer stelt soorten in staat zich aan te passen.’
Dat betekent dat het verdwijnen van een klein leefgebied niet per se desastreus hoeft te zijn, zolang er in de omgeving voldoende alternatieven beschikbaar zijn. ‘Een klein stukje dijk dat verdwijnt, is niet zo’n groot probleem, zolang de insecten maar een ander veilig gebied kunnen vinden. En daarvoor moeten we veel groter durven denken.’




Geef een reactie