Het voorstel om geüniformeerde boa’ste verbieden zichtbare religieuze of levensbeschouwelijke uitingen te dragen, is volgens de Afdeling advisering van de Raad van State nog onvoldoende onderbouwd. De Afdeling adviseert de initiatiefnemer om de noodzaak en proportionaliteit van het verbod beter te motiveren. Als dat niet mogelijk is, moet het wetsvoorstel worden aangepast of ingetrokken.
Dat staat in het advies dat de Afdeling advisering op 19 oktober heeft gepubliceerd. Het advies gaat over een initiatiefwetsvoorstel van Tweede Kamerlid Martens-America (VVD) tot wijziging van de Politiewet 2012.
Verbod tijdens contact met publiek
Het wetsvoorstel bepaalt dat boa’s geen zichtbare uitingen van godsdienst of levensovertuiging mogen dragen wanneer zij een uniform of bedrijfskleding dragen en tijdens hun werkzaamheden contact hebben met het publiek.
Volgens de initiatiefnemer vervullen boa’s een bijzondere overheidstaak en mogen zij onder bepaalde voorwaarden geweld gebruiken. Burgers zouden er daarom op moeten kunnen vertrouwen dat boa’s zich neutraal opstellen en ook een neutrale uitstraling hebben.
Noodzaak onvoldoende aangetoond
De Afdeling advisering plaatst vraagtekens bij de onderbouwing van het voorstel. De initiatiefnemer gaat uit van een strikte scheiding tussen religie en staat, maar maakt volgens de Afdeling niet duidelijk waarom juist bij boa’s zo’n strikte scheiding noodzakelijk is.
Ook blijkt volgens de Afdeling niet uit de toelichting dat het dragen van zichtbare religieuze of levensbeschouwelijke uitingen door boa’s in de praktijk problemen veroorzaakt. Daarnaast wordt onvoldoende uitgelegd waarom minder verstrekkende maatregelen niet zouden volstaan, bijvoorbeeld door meer variatie in uniformen mogelijk te maken.
Grote verschillen tussen boa’s
Een ander kritiekpunt is dat het wetsvoorstel geldt voor alle geüniformeerde boa’s, terwijl hun werkzaamheden, bevoegdheden en werkgevers sterk uiteenlopen. Niet iedere boa behoort tot de zogenoemde ‘sterke arm’ van de overheid.
Volgens de Afdeling wordt onvoldoende rekening gehouden met deze verschillen. Daardoor is niet duidelijk waarom een landelijk verbod voor alle typen boa’s noodzakelijk is, ongeacht hun werkzaamheden, bevoegdheden en werkomgeving.
Die motivering is volgens de Afdeling juist van belang omdat het voorgestelde verbod een inbreuk maakt op de vrijheid van godsdienst en het recht op gelijke behandeling.
Voorstel beter motiveren of aanpassen
De Afdeling advisering adviseert daarom de toelichting bij het initiatiefwetsvoorstel aan te vullen en het algemene verbod overtuigender te onderbouwen. Lukt het niet om de noodzaak van zo’n verstrekkend verbod voldoende te motiveren, dan moet het voorstel volgens de Afdeling worden aangepast of moet ervan worden afgezien



Geef een reactie