Sinds de gemeenteraadsverkiezingen lees ik keer op keer over de noeste arbeid van verkenners. Zij worden geacht om op basis van de uitslag te adviseren over de inrichting van het proces om tot een college van B&W te komen. Als iemand van de oude stempel begin ik mij ondertussen wat te ergeren aan al die verkenners.
Ik herinner me nog de tijd dat zonder enige discussie de grootste partijen als vanzelfsprekend een plek in het college kregen. Het sluiten van coalitieakkoorden werd als een merkwaardige en onnodige gang van zaken ervaren. Maar goed, het werd meer en meer gebruikelijk dat er inhoudelijke onderhandelingen plaatsgevonden. Die konden soms rommelig om niet te zeggen chaotisch verlopen. Van mijn eigen gemeente herinner ik mij de anekdote dat een partij een wethouderspost hadden gemist omdat de fractievoorzitter in het verkeerde café zat te wachten op de fractievoorzitter van een andere partij. Die laatste had toevallig vertegenwoordigers van weer een andere partij in zijn café getroffen en had die maar een wethouderspost toegezegd.
Goed, zo ongestructureerd hoeven de afspraken niet te worden gemaakt. Maar voor mijn gevoel zijn we nu toch wel wat doorgeslagen naar een veel te zwaar proces. Van veel verkenners zie ik een advies waarvan ik denk: tja, dat lag wel heel erg voor de hand. Maar ondertussen zijn we al weer een maand verder. Sommige verkenners zitten nog steeds te zwoegen op een lijvig eindverslag.
Onzinnige gewichtigdoenerij
Die grootschalige inzet van verkenners zie ik toch vooral als onzinnige gewichtigdoenerij. De lokale politici willen zich maar al te graag spiegelen aan de landelijke politiek, waar informateurs al jaren gemeengoed zijn. Voor menige gemeente zou ik zeggen, dat is toch allemaal niet nodig.
Peter Castenmiller is als senior-onderzoeker werkzaam bij PBLQ en doet al vele jaren onderzoek in het decentraal bestuur. Hij is tevens verbonden aan het Instituut Politicologie van de Universiteit Leiden en de Faculteit Bestuurskunde van de Vrije Universiteit.



Geef een reactie