Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft de Startanalyse aardgasvrije buurten opnieuw doorgerekend. Een belangrijke verschuiving is dat het PBL niet langer rekent op klimaatneutraal gas voor individuele verwarmingsinstallaties.
Gemeenten moeten voor eind 2027 een warmteprogramma opstellen, waarin ze aangeven welke wijken wanneer van het aardgas afgaan. Dit staat in de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw), die naar verwachting op 1 januari 2027 in werking treedt. Als gemeenten een wijk aanwijzen, dan moeten ze volgens de nieuwe wet de nationale kosten meewegen. Gemeenten mogen daar overigens wel gemotiveerd van afwijken. De nationale kosten worden door de Startanalyse in beeld gebracht.
Minder groengas dan gedacht
In een eerdere versie van de Startanalyse vormde klimaatneutraal gas voor ongeveer 30 procent van de aansluitingen de goedkoopste optie. Het PBL ging daarbij uit van de ambitie uit het Klimaatakkoord om in 2030 twee miljard kubieke meter groengas te produceren. Die ambitie haalt Nederland naar verwachting niet.
Bovendien concurreren andere sectoren, met minder alternatieven, om hetzelfde gas. Het PBL vindt beschikbaarheid en prijs daarom te onzeker voor de warmteprogramma’s die eind 2027 klaar moeten zijn. Alleen voor bijstook in warmtenetten houdt het nog rekening met klimaatneutraal gas.
Elektrisch wordt de norm
Het geraamde aandeel individuele elektrische warmtepompen in 2050 stijgt van 35 naar 65 procent: 5,5 miljoen aansluitingen. Vooral in dunbebouwde buurten komt de elektrische warmtepomp vaak naar voren als oplossing met de laagste nationale kosten. Daarnaast groeien de kleinschalige warmtenetten op lage temperatuur, van 6 naar 8 procent. Warmtenetten op midden- of hoge temperatuur blijven de goedkoopste keuze voor 2,3 miljoen aansluitingen, vooral in dichtbebouwde wijken met veel appartementen.
Grote rol voor isolatie
Om de verschillende oplossingen goed te laten werken, is isolatie belangrijk. Dat geldt vooral bij de individuele elektrische waterpomp. Daarom moeten bij de kosten voor individuele elektrische warmtepompen ook de kosten voor isolatie worden meegenomen in de totale kosten van verduurzaming. Het moment van isolatie speelt daarbij een rol.
Als uitgegaan wordt van isolatie op een natuurlijk moment, zoals bij een verbouwing, zijn de kosten lager. Alleen de meerkosten van de maatregelen worden dan meegenomen. In dat geval stijgt het aantal elektrische warmtepompen in de berekening naar 6,1 miljoen. In de variant waarbij isolatie juist niet op een natuurlijk moment wordt uitgevoerd, daalt het aantal elektrische waterpompen in de berekening naar 4,7 miljoen.
Hybride pomp als tussenoplossing
Het PBL schrijft de hybride warmtepomp niet af. Als tussenoplossing beperkt deze de uitstoot al flink, zonder ingrijpende verbouwingen. Het kabinet kiest daar ook voor, en wil vanaf 2029 verplicht stellen dat huiseigenaren die toe zijn aan vervanging van de cv-ketel, overstappen op een slimme en hybride warmtepomp. Voor appartementen en monumenten zou deze verplichting nog niet per 2029 ingaan.
Lokale inzichten en data
Het PBL presenteert de analyse als vertrekpunt. Er zijn vereenvoudigingen in het model opgenomen en er worden aannames gedaan die niet overeenkomen met de realiteit. Beleidseffecten, gemeentelijke plannen en afspraken met bijvoorbeeld woningbouwcorporaties spelen geen rol in het model. Ook vragen over bijvoorbeeld de omgang met monumenten, beperkingen over de ruimtelijke inpassing en draagvlak worden niet meegenomen. Het PBL benadrukt dat het van belang is om de resultaten van de analyse te verrijken met lokale inzichten en data.




Geef een reactie