De Wet inburgering 2021 moest statushouders snel aan het werk helpen én op een stevig taalniveau brengen. De Algemene Rekenkamer laat zien dat dit nu niet lukt: doelen ontbreken, beleid botst en veel talent blijft onbenut. Gemeenten moeten tegelijk sturen op taal, werk en snelle uitstroom uit de bijstand, maar dat pakket is in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar.
Tussen 2022 en 2024 moesten bijna 65.000 statushouders inburgeren onder de Wi2021. De Algemene Rekenkamer deed onderzoek naar de werking van deze wet. Volgens de wet zouden inburgeraars snel moeten starten met een traject, maar gemiddeld wachten ze bijna twee keer zo lang op hun Persoonlijk Inburgeringsplan dan de bedoeling was. Lange asielprocedures, het woningtekort en veel verhuizingen vanuit opvanglocaties zorgen voor vertraging. In de tussentijd kunnen maar weinig mensen structureel taalles volgen. Tekorten aan Nt2-docenten en kinderopvang zorgen daarna voor extra vertraging.
Botsende doelen
Ook de weg naar werk loopt stroef. Meer statushouders werken dan eerder, maar vaak in laagbetaalde, tijdelijke banen in horeca, logistiek of via uitzendbureaus. Ze hoeven daar weinig Nederlands te spreken en bouwen zelden aan een beroep op niveau of aan werk in tekortsectoren zoals zorg, bouw of techniek. Gemeenten krijgen tegelijk de opdracht om mensen snel uit de bijstand te halen én hen naar een zo hoog mogelijk taalniveau te begeleiden. In de praktijk botsen die doelen: wie fulltime werkt in een niet‑taalrijke baan, redt zijn inburgeringstraject vaak niet binnen drie jaar.
Veel jongeren lopen vast met taal en onderwijs
Ook het taalbeleid schiet tekort. B2‑onderwijs is nauwelijks beschikbaar, terwijl de wet wel spreekt over het ‘hoogst haalbare taalniveau’. De Z‑route, bedoeld voor een kleine ‘restcategorie’, is uitgegroeid tot bijna een derde van alle trajecten. Deze route vraagt veel uren, maar eindigt zonder taalexamen en sluit niet aan op de eisen voor naturalisatie. Onder de deelnemers zitten duizenden jongeren, die zo vastlopen in een route met weinig kans op een vervolgopleiding. Gemeenten mogen aanvullend op de Z-route een alternatieve route opzetten, bijvoorbeeld een praktisch leer-werktraject. Toch doen lang niet alle gemeenten dat, onder andere door onbekendheid over de wettelijke mogelijkheden hiervoor, en door een gebrek aan financieringsmogelijkheden.
Gebrek aan sturing
De Rekenkamer wijst tot slot op grote gaten in de sturing. Er is geen nulmeting, geen set concrete streefwaarden en van het merendeel van de statushouders is opleiding en werkervaring niet geregistreerd. Daardoor is het vrijwel onmogelijk om te zien wat het beleid oplevert. De Rekenkamer pleit voor duidelijke keuzes, harde doelen en meer maatwerk: investeer in taal, erken eerder verworven kwalificaties, koppel door naar tekortsectoren en laat taal op de werkvloer meetellen voor het inburgeringsdiploma.



Geef een reactie