De kansen van kinderen in Nederland hangen steeds sterker samen met hun sociaal-economische achtergrond in plaats van met hun talent of inzet. Een decentrale aanpak kan de kansenongelijkheid juist vergroten als de hulp en ondersteuning per gemeente verschilt.
Dit blijkt uit een onderzoek van ESB. Sinds 2016 staat kansenongelijkheid hoog op de politieke agenda. De Rijksoverheid kiest nadrukkelijk voor een decentrale aanpak, met gemeenten als spil. Via onder meer de Gelijke Kansen Alliantie (GKA) worden lokale initiatieven en experimenten gestimuleerd. Steeds meer gemeenten nemen het thema op in hun coalitieakkoord.
Uit een analyse van gemeentelijke coalitieakkoorden uit 2014, 2018 en 2022 blijkt dat kansengelijkheid snel aan populariteit heeft gewonnen. In 2014 noemden slechts 21 gemeenten het thema; in 2022 waren dat er 145 (42 procent). Vooral grotere gemeenten besteden aandacht aan kansenongelijkheid, maar ook kleinere gemeenten verspreid over het land doen dat. Inmiddels woont 65 procent van de Nederlanders in een gemeente waar het thema expliciet op de agenda staat.
Uiteenlopende middelen per gemeente
Gemeenten doen uiteenlopende beloftes en reserveren middelen voor lokale initiatieven, zoals maatjesbegeleiding bij de overgang naar het voortgezet onderwijs, taalondersteuning voor ouders of vroege signalering van ontwikkelingsachterstanden. De bedragen verschillen sterk per gemeente.
Uit onderzoek blijkt dat gemeenten met relatief lage kansen voor kinderen het vaakst aandacht besteden aan kansenongelijkheid. Waar kinderen uit gezinnen met lage inkomens minder kans hebben om later werk te vinden, een startkwalificatie te behalen of goed te presteren op de eindtoets, is de kans groter dat het onderwerp in het coalitieakkoord wordt genoemd. Dat suggereert dat aandacht vooral ontstaat waar de problematiek het grootst is.
Inzicht in effectiviteit beleid gemeenten ontbreekt
Toch biedt een decentrale aanpak geen garantie op succes. Ten eerste ontbreekt inzicht in welk concreet beleid gemeenten uitvoeren en wat daarvan de effectiviteit en kosten zijn. Het risico bestaat dat aandacht voor kansenongelijkheid deels symbolisch blijft. Door decentralisatie is informatie versnipperd en is het lastig om te beoordelen wat werkt.
Ten tweede lijkt de financiële ruimte voor investeringen juist af te nemen. Gemeenten die kansengelijkheid noemen, ontvangen gemiddeld meer middelen per inwoner, maar deze relatieve meerinkomsten zijn in de loop der tijd gedaald. Tegelijkertijd zijn de uitgaven in het sociaal domein en onderwijs, waar kansengelijkheidsbeleid vooral wordt gevoerd, relatief teruggelopen. Dreigende rijksbezuinigingen kunnen deze druk verder vergroten.
Ten derde bestaat het risico van verschillen tussen gemeenten. Effectieve interventies, zoals het VoorZorg-programma voor kwetsbare zwangeren, worden niet overal aangeboden. Daardoor kan het aanbod van ondersteuning sterk variëren afhankelijk van de woonplaats. Dat kan de kansenongelijkheid juist vergroten.
De vraag is of lokale verschillen groot genoeg zijn om een sterk gedecentraliseerde aanpak te rechtvaardigen. Zonder betere kennisdeling, uniforme kwaliteitsstandaarden en inzicht in effectiviteit dreigt het risico dat de postcode bepaalt welke ondersteuning een kind krijgt.
Bron: ESB, 26 februari 2026



Geef een reactie