Het kabinet zet vol in op het stimuleren van woningdelen, binnen een bredere landelijke aanpak op beter benutten van bestaande gebouwen en de bijbehorende omgeving.
Minister Boekholt deelt een rapport waarin is onderzocht in hoeverre de huidige kostendelersnorm mensen met een uitkering belemmert om een woning te delen en wat er gebeurt als de norm wordt aangepast of afgeschaft.
De kostendelersnorm verlaagt de uitkering per persoon als meerdere uitkeringsgerechtigden op één adres wonen, om stapeling van uitkeringen boven het sociaal minimum te voorkomen. De norm geldt in de Participatiewet (bijstand en AIO) en in IOAW, IOAZ, Anw en Toeslagenwet, maar met een eenvoudiger afbouwpad in die laatste drie. Ongeveer 3–10 procent van de uitkeringshuishoudens heeft feitelijk met de kostendelersnorm te maken.
Belemmeringen
Woningdelen komt meestal voort uit bestaande relaties en de krappe woningmarkt, maar veel mensen kiezen er juist niet voor vanwege privacy en de wens om zelfstandig te wonen. Naast deze niet‑financiële factoren spelen onduidelijkheid over regels, angst voor terugvorderingen, administratieve lasten en het inkomenseffect van de kostendelersnorm mee. Uit enquête en focusgroepen blijkt dat afschaffing of versoepeling van de norm de drempel tot woningdelen kan verlagen, vooral bij woningdelen met één familielid; grotere groepen blijven weinig aantrekkelijk, ook bij hogere financiële prikkels.
Beleidsvarianten en effecten
Er zijn vijf varianten uitgewerkt: alleenstaande‑aanvulling (vereenvoudigde norm van 50% plus 20% opslag voor alleenwonenden), een maatwerk‑voordeurdelersregeling, een eenjarige vertraging, uitzonderingen voor deelgroepen, en volledige afschaffing. Afschaffing geeft de grootste inkomensstijging en vermindert financiële stress sterk, maar tast de vangnetlogica aan, verlaagt arbeidsprikkels enigszins en kost structureel enkele honderden miljoenen per jaar extra. Lichtere varianten hebben kleinere effecten op woningdelen en koopkracht, maar zijn goedkoper en soms beter te verenigen met het vangnetprincipe, terwijl maatwerkvarianten de uitvoering en frauderisico’s complexer maken.
Woningwinst en uitvoerbaarheid
De potentiële woningwinst door meer woningdelen varieert sterk per variant: van orde 100–900 extra vrijgespeelde woningen (alleenstaande‑aanvulling) tot circa 3.900–15.200 bij volledige afschaffing, met grote onzekerheidsmarges. Volgens een CBS‑analyse is er fysiek in tienduizenden woningen met een bijstandsgerechtigde in potentie ruimte voor extra bewoners, maar de bottleneck ligt vooral aan de vraagkant (bereidheid om te delen) en niet aan het woningaanbod. Voor uitvoerders (gemeenten, SVB, UWV) betekent afschaffing een aanzienlijke vereenvoudiging, terwijl varianten met uitzonderingen, vertraging of maatwerk juist meer beoordeling “achter de voordeur”, systeemaanpassing en risico op fouten of misbruik meebrengen.
De Kamer zal voor de zomer nader geïnformeerd worden over de voortgang.


Geef een reactie