<span>Opinie</span>Een oud gevaar: de gemeenteraad

0

Kritiek op de gemeenteraad is van alle tijden, zelfs de toon is niet heel erg veranderd. Hoewel je niet vaak meer hoort dat raadsleden ‘non-valeurs’ zouden zijn.

In 1905 publiceert een zekere L.L.C.M. van Outhorn een brochure onder de prikkelende titel “De Gemeenteraad, een gevaar voor de Stadsbelangen?” Het betreft in zijn geval de raad van ’s Gravenhage, die met het oog op het streven om een ‘metropool’ te worden, besloten had om enkele ontsluitingswegen te verbreden en te verlengen. De brochure bundelt twee ingezonden brieven van zijn hand en werd toentertijd voor de mooie prijs van 30 cent verkocht.

Van Outhorn wekt met het plaatsen van een vraagteken achter de titel ten onrechte de indruk nog enige nuance na te streven. Want de volle 30 pagina’s lang fulmineert hij tegen het kleingeestige karakter van zowel de Haagse burgerij als hun vertegenwoordigers in de raad. Zo noemt hij dat zo ongeveer de helft van de raadsleden eigenlijk “niet weten waar zij hun verkiezing aan te danken hebben.” Om daar aan toe te voegen: “Merken wij nog op dat, behoudens enkele uitzonderingen, de gemeenteraadsleden, ook bij hun committenten, weinig of geen vermaardheid genieten. Dit doet natuurlijk aan hun edelachtbaarheid niets af, doch is het niet in strijd met alle betamen, dat een stad, zoo rijk aan waardevol intellectueel stofgoud – immers, zoo maar voor het oprapen zijn hier de uitstekenden, op elk gebied des wetens en des kunnens – zich voor het verzorgen harer gemeentelijke aangelegenheden bij voorkeur wendt tot … de meer bescheiden krachten?”

Van enkele raadsleden beweert hij dat ze dusdanig ‘beneden de maat zijn’, dat het de moeite niet loont om ze te bestrijden. Maar juist daarom worden ze herkozen. Even verderop verfoeit hij het bedrijven van partijpolitiek. Zo vraagt Van Outhorn zich af of er wellicht ‘calvinistische riolen zijn (“al hebben onze kostelijke anti-revolutionairen hun eigen en eigenaardige zwakheden”) of ‘Roomsche bestrating’ (“al rust de Kerk ook op een rots”).

Al met beticht Van Outhorn de raadsleden er van nietsnutten en non-valeurs te zijn, die niet in staat zijn om zich ‘dienstbaar te maken aan het waarachtig welzijn der gemeente.’

Zo zie je maar weer. We zijn dan wel meer dan 100 jaar verder, het woordgebruik vandaag aan de dag is veranderd, ’s Gravenhage is Den Haag, brochures worden er niet meer verkocht, maar verder komen de klachten over en de felheid van de kritiek op raadsleden ons alleszins bekend voor.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Over Auteur

Peter Castenmiller

Reageer