De Raad van State heeft geoordeeld dat de gemeente Amsterdam terecht heeft geweigerd om een vrouw een urgentieverklaring voor een sociale huurwoning te geven.
De vrouw woont met haar drie minderjarige kinderen in een tweekamerwoning van 32 m² en stelde dat de krappe woonsituatie ernstige gezondheidsklachten veroorzaakte. Zij gaf aan last te hebben van slaapstoornissen en psychische klachten en vond dat haar kinderen eveneens onder de woonsituatie leden.
Te kleine woning is geen reden voor urgentie
De gemeente wees de aanvraag af om drie redenen. Ten eerste vond zij dat er geen sprake was van een urgent huisvestingsprobleem. Een woning die te klein is, geeft volgens de Amsterdamse regels op zichzelf geen recht op voorrang. Ook voldeed de vrouw niet aan de voorwaarden voor medische urgentie. Hoewel zij medische verklaringen had overgelegd van onder meer haar huisarts, psycholoog en psychiater, was zij op het moment van de aanvraag niet meer onder behandeling van een specialist in de geestelijke gezondheidszorg. Dat is volgens de gemeentelijke regels wel vereist.
Ten tweede oordeelde de gemeente dat het huisvestingsprobleem redelijkerwijs voorkomen had kunnen worden. De vrouw was met één kind in de woning gaan wonen en kreeg daarna nog twee kinderen, terwijl de woning daarvoor eigenlijk te klein was. De Raad van State vindt dat de gemeente daarom mocht zeggen dat het huisvestingsprobleem voorzienbaar was. Dat betekent niet dat de vrouw geen kinderen had mogen krijgen, maar wel dat de gemeente niet verplicht is om de gevolgen daarvan met een urgentieverklaring op te lossen.
De derde afwijzingsgrond hield verband met de inschrijving van haar echtgenoot. De gemeente vond dat hij deel uitmaakte van haar huishouden, terwijl hij niet in Amsterdam stond ingeschreven. Op dit punt kreeg de vrouw wél gelijk. Uit de stukken bleek dat haar echtgenoot feitelijk geen deel meer uitmaakte van het gezin en dat een echtscheiding in gang was gezet. Daarom mocht de gemeente deze afwijzingsgrond niet gebruiken.
Toch veranderde dat de uitkomst niet. Omdat de twee andere afwijzingsgronden overeind bleven, bleef de weigering van de urgentieverklaring in stand. Ook een beroep op de zogenoemde hardheidsclausule slaagde niet. Volgens de Raad van State was niet aangetoond dat sprake was van een uitzonderlijke, acuut levensbedreigende medische situatie die een uitzondering op de regels rechtvaardigde. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd daarom bevestigd en de vrouw kreeg geen urgentieverklaring.




Geef een reactie