Minder overzicht, minder houvast en grotere verschillen in lokale regelgeving. De complexiteit van de Omgevingswet rijdt de dagelijkse praktijk van toezicht en handhaving danig in de wielen.
Dat beeld komt naar voren in het recente adviesrapport van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli) over de uitvoeringspraktijk van toezicht en handhaving onder de Omgevingswet.
Het adviesorgaan haalde deze inzichten op in interviews en expertmeetings met toezichthouders en handhavers in het land. Een belangrijke bevinding van de Rli is dat toezichthouders het overzicht verliezen. Een van de oorzaken is de vrijheid van het indienen van vergunningaanvragen.
Confettikanon
De Evaluatiecommissie Omgevingswet uitte daar al eerder haar zorgen over in haar dit jaar verschenen reflectierapport Werk aan de winkel.
Vanwege het ‘confettikanon’ aan losse en versnipperde aanvragen, waar gemeenten mee worden overspoeld, zijn de toezichthouders minder goed in staat initiatieven integraal te beoordelen, constateert nu ook de Rli.
‘We houden toezicht op de kruimels in plaats van de koekjes, en het zicht op de koek als geheel verdwijnt’, klaagde een van de geïnterviewde toezichthouders.
Milieuregels
Ook de juridische term ‘milieubelastende activiteit’ (mba) heeft gevolgen voor de dagelijkse praktijk van toezicht en handhaving. Deze term is in de Omgevingswet in de plaats gekomen voor het begrip ‘inrichting’.
De Omgevingswet koppelt milieuregels voortaan rechtstreeks aan bedrijfsactiviteiten. Daardoor is het mogelijk bedrijven die het milieu op dezelfde wijze belasten, met algemene regels te reguleren en minder met vergunningen.
De Rli constateert dat bedrijven veel tijd kwijt zijn aan de vele meld- en informatieplichten voor de verschillende mba’s. Ook is het aan initiatiefnemers zelf om te beoordelen in welke volgorde zij de informatie voor verschillende mba’s indienen. Hierdoor verliezen toezichthouders het overzicht over de milieurisico’s in een gebied, aldus de Rli.
Vaker bijsturen
Door de verschuiving van vergunningen naar algemene regels en zorgplichten is er bovendien minder controle vooraf en moeten toezichthouders achteraf vaker bijsturen. De kans op voldongen feiten of onomkeerbare gevolgen neemt toe, omdat activiteiten al hebben plaatsgevonden of schade al is ontstaan.
Zo moeten initiatiefnemers vaker achteraf (onbedoelde) fouten herstellen om aan de regels te voldoen. Dat leidt bij bedrijven tot meer onzekerheid, waarschuwt de Rli.
Prioriteren
Het grote aantal aanvragen en meldingen betekent ook dat toezichthouders meer tijd achter hun bureau doorbrengen. Hierdoor moeten zij nog scherper prioriteren welke bedrijven ze op locatie bezoeken.
Toezichthouders geven aan dat vooral bedrijven met slechts één of enkele meldings- of informatieplichten veelal laag op de prioriteitenlijst staan, terwijl zich daar wel degelijk risico’s kunnen voordoen. Deze risico’s hebben zo onbedoeld een grotere kans om onder de radar te blijven, waarschuwt de Rli.
Onvoldoende begeleid
De Rli stelt dat het rijk de fundamentele verschuiving van verantwoordelijkheden die de Omgevingswet beoogt, onvoldoende heeft begeleid, niet alleen binnen de overheid, maar vooral richting burgers en bedrijven.
De gevolgen van wat werken in de geest van de Omgevingswet betekent voor toezicht en handhaving zijn onvoldoende doordacht, concludeert het adviesorgaan.
In een rondgang die Gemeente.nu eerder dit jaar in maart maakte onder gemeenten, stelt toenmalig wethouder Frank van Hulle hetzelfde. ‘Het rijk heeft het nagelaten de burgers in het land voldoende in deze wetswijziging mee te nemen. Wij zitten nu met de gebakken peren.”
Een verder manco dat de Rli waarneemt is dat de integratie van milieuregels in de nieuwe instrumenten van de Omgevingswet moeizaam verloopt, met als grootste opgave het omgevingsplan. Standaardisering kan hier uitkomst bieden, verwijst de Rli naar het initiatief SPRONG van de VNG.
DSO
De toezichthouders klagen ook over de digitalisering onder de Omgevingswet. De combinatie van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), het Omgevingsloket en de aansluiting op de zaaksystemen en software van omgevingsdiensten, belemmert het verkrijgen van de benodigde informatie en van het overzicht.
Menselijke fouten, bijvoorbeeld bij het overzetten van bedrijfsgegevens naar een zaaksysteem, kunnen ertoe leiden dat samenhangende activiteiten en meldingen niet aan elkaar worden gekoppeld.
Dat aanvragen en meldingen voor verschillende mba’s van één bedrijf bij verschillende bevoegde gezagen binnenkomen, bemoeilijkt ook het overzicht.
‘De brievenbus van het Omgevingsloket is een stuk breder, alles past er doorheen en de back office mag het allemaal uitzoeken’, beschrijft een van de toezichthouders het euvel.
Vergunningcheck
Ook de Vergunningcheck doet zijn werk nog niet goed. Deze online tool in het Omgevingsloket moet initiatiefnemers helpen bij het vinden van de regels en verplichtingen die gelden voor activiteiten die zij willen uitvoeren.
Toezichthouders geven aan dat het nog onvoldoende lukt om hiermee de gewenste duidelijkheid voor initiatiefnemers te scheppen. Hierdoor zijn er meer onvolledige of foutieve aanvragen, bijvoorbeeld bij kleinere mkb-bedrijven en particulieren.
Bevoegde gezagen en omgevingsdiensten zijn extra tijd kwijt aan het herstellen hiervan. Dit probleem is eerder in maart al door Gemeente.nu gesignaleerd.
Programma
Als uitweg uit de problemen pleit de Rli voor een gezamenlijk programma van overheden, uitvoeringsorganisaties en bedrijfsleven. Een betere samenwerking kan het toezicht en handhaving onder de Omgevingswet een nieuwe impuls geven.
Toezicht en handhaving moeten meer politieke, bestuurlijke en organisatorische aandacht krijgen van deze partijen. De urgentie wordt nog onvoldoende gevoeld.
Volgens het adviesorgaan moeten de kennis en expertise van toezichthouders en handhavers veel eerder betrokken worden in de beleidscyclus. Dat is nodig om tot uitvoerbare, ‘toezichtbare’ en handhaafbare wet- en regelgeving te komen. Dat zal de onzekerheid bij bedrijven wegnemen. Ook de milieurisico’s zijn dan beter te adresseren.
Impact
Om voldoende impact te hebben, zou dit programma onder voorzitterschap van minister Elanor Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) moeten staan.
Een ‘business as usual’ aanpak, voorziet de Rli, met kleine reparaties en aanpassingen leidt ertoe dat toezichthouders terugvallen op bestaande werkwijzen, handhavers zaken niet rondkrijgen en bedrijven op de oude voet doorgaan.




Geef een reactie